Conclusie A-G Niessen 25 augustus 2020, ECLI:NL:PHR:2020:739
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over toepassing van de belastingrenteregeling. In geschil is of de beschikking belastingrente bij een navorderingsaanslag 2013 terecht is opgelegd aan de erfgenamen (belanghebbenden), nu de echtgenoot recht had op een vermindering van eenzelfde bedrag voor datzelfde jaar. Erflaatster is in 2013 overleden. Haar echtgenoot en zoon zijn haar enige erfgenamen. In 2013 had de erflaatster recht op een bedrag van € 715 aan algemene heffingskorting en was haar echtgenoot dezelfde som verschuldigd in de inkomstenbelasting. In 2018 werd de door de echtgenoot verschuldigde inkomstenbelasting op zijn verzoek met € 715 verminderd, dus tot nihil, en werd het eerder voldane bedrag aan hem terugbetaald. Als uitvloeisel van die vermindering werd de heffingskorting die ten gunste van erflaatster was uitbetaald teruggenomen. Ten name van haar erven, te weten haar echtgenoot en zoon, werd een navorderingsaanslag opgelegd voor datzelfde bedrag, vermeerderd met € 111 belastingrente. Na vergeefs bezwaar, beroep en hoger beroep komen belanghebbenden in cassatie met twee klachten op tegen de beschikking inzake belastingrente. De eerste klacht houdt in dat de echtgenoot ‘in alle financiële posities van erflaatster’ is getreden. Deze klacht faalt, nu de vorderingen en schulden van de boedel ook de zoon aangaan. Verrekening van vordering en schuld op basis van de bepalingen van art. 24 IW 1990 kan eveneens geen soelaas bieden. In de tweede klacht betogen belanghebbenden dat de Belastingdienst alleen belastingrente kan heffen over de periode gedurende welke hij ‘niet over het relevante geldbedrag beschikt’. Belanghebbenden beroepen zich mede op de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1047), waarin wordt verwezen naar een vergelijkbaar oordeel van 2 juli 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:5419). Ingevolge de laatstgenoemde uitspraak van het Hof kan een belastingplichtige een geslaagd beroep doen op passages uit verslagen van de Landelijk vakgroep overleg Formeel recht voor de matiging van belastingrente. Deze passages zijn openbaar gemaakt op 1 maart 2017 naar aanleiding van een Wob-verzoek. Leden van de Vakgroep Formeel recht hebben geuit dat zij kunnen zich vinden in het uitgangspunt dat er in incidentele gevallen aanleiding kan zijn voor de matiging van de rente, zoals situaties waarbij de te betalen belasting al aanwezig is bij de fiscus. A-G IJzerman heeft conclusie genomen op 20 februari 2020 en volgt daarin het oordeel van het Hof (ECLI:NL:PHR:2020:170). De onderhavige zaak vertoont enige verwantschap met die waarop de genoemde conclusie betrekking heeft. In de onderhavige procedure doet zich echter de bijzondere omstandigheid voor dat de vordering en schuld van de fiscus direct met elkaar samenhangen in die zin dat de vordering rechtens voortvloeide uit de schuld, dat beide betrekking hadden op enerzijds het vermogen van de erflaatster en anderzijds dat van haar echtgenoot, en dat beide noodzakelijkerwijs tegelijkertijd opkwamen. Onder die omstandigheden valt volgens A-G Niessen geen goede grond aan te wijzen waarom de ene schuld rentedragend is en de andere niet. Temeer moet hierbij worden vastgesteld dat van ‘sparen bij de fiscus’ in een dergelijk geval nooit sprake kan zijn. De parlementaire geschiedenis geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de wetgever een dergelijke situatie heeft voorzien, noch dat de getroffen regeling ertoe zou strekken om ook in een dergelijk geval onderscheid te maken tussen de behandeling van de vordering van de fiscus en die van zijn schuld. Daarnaast is dit ook niet in lijn met de verzuimrenteregeling uit de Awb, de regeling waarop de belastingrentewetgeving is geënt. Op grond van redelijke wetstoepassing moet de heffing van belastingrente in de zaak van belanghebbenden achterwege blijven en slaagt de tweede klacht. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1834
- Conclusie A-G IJzerman 20 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:170
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10477
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5419
- Rb. Noord-Nederland 24 april 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1839
- Hof Den Haag 14 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3106
- HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:757
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4583