Conclusie A-G Niessen 25 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:176

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/02384. Belanghebbende woont sinds 1992 in België. Belanghebbende had een belang van 25,5% in de BV. Op 31 maart 2005 en 31 mei 2006 heeft de BV liquidatie-uitkeringen gedaan. Op 19 mei 2006 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de BV per 12 mei 2006 is opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren. De BV heeft geen aangiften dividendbelasting ingediend ter zake van uitkeringen aan belanghebbende in 2005 en 2006. De Inspecteur heeft de liquidatie-uitkeringen bij belanghebbendes aanslag IB/PVV op grond van het Verdrag Nederland-België belast tegen 15%. In cassatie is in geschil of Nederland door belanghebbendes ontvangen liquidatie-uitkeringen te belasten in strijd handelt met de vrijheid van kapitaalverkeer zoals neergelegd in artikel 63 VwEU Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende gestelde belemmering van het kapitaalverkeer wordt veroorzaakt door de Belgische wetgeving, die blijkbaar ervoor zorgt dat België niet geheel terugtreedt ten aanzien van de op grond van het verdrag Nederland-België toegewezen belastingheffing over liquidatie-uitkeringen. Belanghebbendes beroep op het arrest Miljoen van het HvJ kan naar het oordeel van het Hof hem niet baten omdat ingezeten en niet- ingezeten belastingplichtigen met een box 2-inkomen gelijk worden behandeld. Het Hof overweegt dat het verschil tussen een aanmerkelijkbelanghouder die zijn aandelen verkoopt en een die de waarde van zijn aandelen krijgt uitbetaald in de vorm van een Iiquidatie-uitkering, wordt gevormd door de herkomst van de ontvangen koopsom van de aandelen enerzijds en de Iiquidatie-uitkering anderzijds. In het geval van verkoop wordt namelijk de koopsom verkregen van de koper van de aandelen, terwijl de Iiquidatie-uitkering wordt verkregen van de vennootschap waarin de aandelen worden behouden. Belanghebbende betoogt in cassatie in zijn eerste klacht dat artikel 63 VwEU verhindert dat Nederland over de liquidatie-uitkeringen mag heffen. In zijn tweede klacht voert belanghebbende aan dat het Hof ten onrecht heeft overwogen dat ingezeten en niet-ingezeten (groot-) aandeelhouders beiden voor hetzelfde tarief in de heffing worden betrokken en beiden indien van toepassing de ingehouden dividendbelasting volledig kunnen verrekenen. Belanghebbende stelt dat een in België wonende (groot-)aandeelhouder niet volledig de dividendbelasting kan verrekenen. Belanghebbende betoogt dat Nederland in strijd met artikel 63 VwEU handelt omdat het België er niet op aanspreekt op de omstandigheid dat België geen vorm van vrijstelling geeft maar verrekening biedt en omdat Nederland evenmin een andere vorm van tegemoetkoming biedt. A-G Niessen meent dat het Hof gelet op het arrest Miljoen de juiste vergelijkingsmaatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling of een ingezeten en een niet-ingezeten aanmerkelijkbelanghouder gelijk worden behandeld. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat beiden voor hetzelfde tarief (box 2) in de heffing IB/PVV worden betrokken. A-G Niessen gaat ook in op de door belanghebbende aangelegde vergelijking in het geval dividendbelasting is ingehouden bij de vennoot. De A-G concludeert dat ook dan de totale belastingdruk op de dividenden voor niet ingezetenen niet zwaarder is dan voor ingezetenen. A-G Niessen leidt uit de jurisprudentie van het HvJ, in het bijzonder de arresten Damseaux en Orange European Smallcap Fund, af dat de omstandigheden dat i) Nederland België niet aanspreekt over de Belgische interne mogelijkheden voor de verrekening van buitenlands dividend en ii) dat Nederland belanghebbende niet compenseert voor het door hem geleden nadeel door de parallelle uitoefening van fiscale bevoegdheden door Nederland en België, Nederland niet in strijd met artikel 63 VwEU handelt. Evenmin is naar de mening van A-G Niessen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft terecht overwogen dat de verkoop van aandelen niet gelijk is te stellen met de ontvangst van liquidatie-uitkeringen. Het gaat aldus A-G Niessen om twee verschillende rechtsfiguren, waarbij door andere actoren een rechtshandeling wordt verricht. Ook wijst A-G Niessen erop dat het (binnenlandse) aanknopingspunt voor belastingheffing bij de verkoop van aandelen en liquidatie-uitkeringen niet gelijk is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken