Conclusie A-G Niessen 27 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:201

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/04934. In cassatie is in geschil of de overgangsregeling van artikel 36c lid 1 Wet LB 1964, waarin is bepaald dat het bijtellingspercentage van 25 vanaf 1 januari 2017 blijft gelden voor auto’s met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016, in strijd is met het bepaalde in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR. Voorts is in geschil of de overgangsregeling in strijd is met artikel 1 EP EVRM. Aan belanghebbende is door zijn werkgever in het onderhavige tijdvak een auto ter beschikking gesteld, die hij zowel zakelijk als privé gebruikt. De auto heeft een datum van eerste toelating van 21 augustus 2015. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en 26 IVBPR niet is geschonden. Van de keuze van de wetgever om de overgangsregeling in te voeren, kan niet worden gezegd dat deze van redelijke grond is ontbloot. Zo zijn ‘nieuwe’ auto’s in beginsel zuiniger dan ‘oude’ auto’s, komt de overgangsregeling de uitvoerbaarheid van de regeling ten goede en hadden belastingplichtigen in de wetenschap dat het bijtellingspercentage zou worden verlaagd kunnen besluiten om een minder zuinige auto te leasen. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld artikel 1 EP EVRM niet is geschonden omdat de inmenging met belanghebbendes ongestoord genot van eigendom ‘lawful’ is en een ‘fair balance’ bestaat tussen het algemeen belang en de individuele rechten van belanghebbende. De inmenging is ‘lawful’ omdat de overgangsregeling van artikel 36c Wet LB 1964 voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitvoering is. Met betrekking tot de ‘fair balance’ heeft de Rechtbank geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de overgangsregeling elke redelijke grond ontbeert. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld. De cassatiemiddelen richten zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR respectievelijk artikel 1 EP EVRM niet zijn geschonden. De A-G stelt voorop dat bij de keuze van de wetgever om al dan niet een overgangsregeling in te stellen hem een wide margin of appreciation toekomt. De regering heeft zoals de Rechtbank heeft overwogen, verschillende gronden aangevoerd voor de keuze voor de onderhavige regeling die het parlement klaarblijkelijk overtuigend achtte. Dat de regeling elke redelijke grond ontbeert, blijkt volgens de A-G niet uit het door belanghebbende aangevoerde. Hij meent dan ook dat het eerste cassatiemiddel van belanghebbende faalt. Volgens de A-G heeft de Rechtbank terecht overwogen dat met betrekking tot de beoordeling van wat in het algemeen belang is, aan de wetgever op het terrein van belastingrecht een ruime beoordelingsmarge toekomt, en dat niet kan worden gezegd dat de overgangsregeling elke redelijke grond ontbeert. De (enkele) hoop van de belastingplichtige dat belastingwetgeving ten faveure van hem zal worden gewijzigd, kan niet met zich brengen dat van een fair balance geen sprake is. Ook het mislopen van een ‘voordeel’ van 3% kan bezwaarlijk als buitensporig worden aangemerkt. Het tweede cassatiemiddel van belanghebbende faalt derhalve eveneens. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken