Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1681

Belanghebbende is inwoner van België en hij ontvangt op zijn bankrekening een geldbedrag onder de vermelding dat dit een liquidatie-uitkering van een in Nederland gevestigd BV is. Ook wordt door hem een slotuitkering van de BV ontvangen. In de BV heeft belanghebbende een aanmerkelijk belang. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de ontvangen bedragen liquidatie-uitkeringen betreffen en dat Nederland (voor het kalenderjaar 2006) op grond van het Belastingverdrag met België en het daarbij behorende Protocol maximaal 15% mag heffen. Belanghebbende stelt dat de vrijheid van kapitaalverkeer wordt belemmerd doordat in België geen gehele vrijstelling voor de in Nederland te belasten liquidatie-uitkeringen dan wel geen volledige verrekening van de in Nederland geheven belasting wordt verleend, maar slechts een kostenaftrek, hetgeen een belemmering om in Nederland te investeren veroorzaakt. Belanghebbende wordt, aldus belanghebbende, dan ten opzichte van een inwoner van Nederland zwaarder belast. Deze stelling wordt door het Hof verworpen omdat de onvolkomen verrekening in België als een dispariteit wordt gekenschetst. Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken