Conclusie A-G Niessen 31 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:54

Het geschil in cassatie betreft de vraag of belanghebbende zich met vrucht kan beroepen op in rechte te beschermen vertrouwen, gewekt door een beleidsbesluit. Belanghebbende is sinds 1 juni 2011 eigenaar van een woning, welke onderdeel uitmaakt van een als rijksmonument aangewezen appartementsgebouw. Na aankoop van de woning heeft belanghebbende daaraan diverse werkzaamheden laten uitvoeren, waaronder het vervangen van de in de woning aangewezen parketvloer door een nieuwe parketvloer. In haar aangifte voor het jaar 2011 heeft belanghebbende onder meer de kosten van de vervanging van de parketvloer (ad € 10.000) in aftrek gebracht als zijnde uitgaven met betrekking tot een monumentenpand. De Inspecteur kwam bij het Hof op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de kosten wél in aftrek konden worden gebracht. Het Hof was van oordeel dat de kosten kwalificeerden als kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen (hierna: huurderslasten) en er in belanghebbendes geval geen bijzondere omstandigheden waren die dat ander maakten. Nog voordat het Hof uitspraak deed, trad het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 maart 2016, nr. BLKB 2016/360M (hierna: het Besluit) in werking, dat uitgaven voor een parketvloer (onder voorwaarden) in aftrek toestaat als uitgaven voor monumentenpanden. Belanghebbende beklaagt zich er in cassatie over dat het Hof aan het Besluit voorbij is gegaan. Blijkens HR BNB 1990/194 zijn beleidsregels – onder voorwaarden – aan te merken als ‘recht’ in de zin van artikel 79 Wet RO. Omdat het geen algemeen verbindend voorschrift is, moet belanghebbende er in beginsel een beroep op doen. Ingevolge artikel 4:84 Awb behoort een bestuursorgaan te handelen overeenkomstig de beleidsregel. De A-G bepleit dat dit niet louter geldt voor beleidsregels die voldoen aan de eisen van de artikelen 4:81 t/m 4:84 Awb, maar dat dit in belastingzaken ook geldt voor beleidsregels in de ruimere zin die in de fiscale rechtspraak wel aan dit begrip wordt toegekend. Gezien de arresten HR BNB 2013/126 en 140 mag, zelfs moet, de rechter een besluit ambtshalve toepassen zolang hij daarmee binnen de rechtsstrijd blijft. De A-G is van mening dat die beslissing logischerwijze voortvloeit uit het gegeven dat een beleidsregel ‘recht’ in de zin van artikel 79 Wet RO is, en naar het hem dunkt dus ook in de zin van artikel 8:69 Awb. Artikel 8:69 Awb geldt niet voor de Hoge Raad, waardoor hij een beleidsregel ambtshalve, buiten de aangevoerde gronden om, kan toepassen. De A-G meent derhalve dat belanghebbende – ook voor het eerst in cassatie – een beroep op het Besluit kon doen, ongeacht of het Besluit een goedkeuring of interpretatie van de rechtspraak betreft. Ten overvloede merkt de A-G op dat de in het besluit geformuleerde criteria uit de wet en (klaarblijkelijk ook) uit de jurisprudentie voortvloeien. Naar de mening van de A-G kan de Hoge Raad zelf oordelen dat in belanghebbendes geval géén sprake is van een kleine reparatie in de zin van HR BNB 1988/321. Voor het overige moet verwijzing plaatsvinden, aldus de A-G. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dien te worden verklaard en verwijzing dient te volgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken