Conclusie A-G Pauwels 21 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:449

Art. 31a(2)(h) Wet LB; art. 8.4a(1)(a) URLB 2011. Valt verstrekking gezonde lunchmaaltijden in het kader van arbobeleid onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen? Belanghebbende verstrekt kosteloos gezonde lunchmaaltijden aan haar werknemers in de jaren 2017 en 2018. De vraag is of deze verstrekking onder de zogenoemde gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen valt. Deze vrijstelling is van toepassing op voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid (arbobeleid) dat wordt gevoerd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Het Hof beantwoordt de vraag ontkennend. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is niet aan de orde bij voorzieningen die in meer algemene zin het welzijn en de gezondheid van werknemers bevorderen, zoals de verstrekking van gezonde lunchmaaltijden. A-G Pauwels komt tot een andere conclusie. Gelet op de tekst van art. 8.4a(1)(a) URLB 2011 volgt de A-G belanghebbende in haar standpunt dat de verstrekking van de gezonde lunchmaaltijden onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen valt, omdat die verstrekking onderdeel is van haar arbobeleid. De verplichting tot het voeren van ziekteverzuimpreventiebeleid is een verplichting op grond van de Arbowet, en onderdeel daarvan kan zijn gezondheidsbeleid, waarvan weer onderdeel kan zijn de verstrekking van gezonde lunchmaaltijden. Er zijn volgens de A-G onvoldoende aanknopingspunten voor de opvatting van de Staatssecretaris dat de gerichte vrijstelling uitsluitend ziet op de voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Dit criterium komt overeen met de tekst van een voor-voorganger, maar de tekst is gewijzigd en diverse in toelichtingen gegeven voorbeelden staan op gespannen voet met dat criterium. De A-G ziet evenmin voldoende grond voor het negatieve criterium van het Hof. Dat criterium is afgeleid uit een voorbeeld van de verstrekking van een fiets, maar dat voorbeeld is onvoldoende om het als algemeen criterium te aanvaarden. Verder is de omstandigheid dat het verstrekken van gezonde lunchmaaltijden gepaard gaat met een privébesparing voor de werknemers, geen grond om anders te oordelen, omdat de regelgeving niet meer voorziet in een uitzondering wegens die omstandigheid. Ook de omstandigheid dat de werkgever invloed heeft op de reikwijdte van de gerichte vrijstelling, geeft geen aanleiding voor een andere uitleg, nu die invloed inherent is aan de keuze van de regelgever om aan te sluiten bij de Arbowet, terwijl de regelgever ook geen ‘corrigerende’ norm meer heeft opgenomen. Voor het geval de Hoge Raad anders oordeelt over de uitleg van art. 8.4a(1)(a) URLB 2011, gaat de A-G nog in op (i) de klacht over het oordeel van het Hof dat het verstrekken van de gezonde lunchmaaltijden een voorziening is die in meer algemene zin het welzijn en de gezondheid van werknemers bevordert, (ii) de klacht over het oordeel van het Hof over de bevoegdheid van de inspecteur bij toepassing van art. 8.4a(1)(a) URLB 2011, (iii) het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met een e-mail van een ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en (iv) het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met het Handboek Loonheffingen. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken