Conclusie A-G Spronken 14 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:327

WOTS-zaak. Overname van de tenuitvoerlegging van een in België opgelegde straf. Detentieduur. Art. 31.1 WOTS. Art. 44.2 EVIG. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:770 m.b.t. het onderzoek dat de rechter moet instellen als verweer wordt gevoerd dat veroordeelde door de omzetting van de straf in een nadeliger positie dreigt te komen wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft. De Rb heeft ervan blijk gegeven de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie in de staat van veroordeling te hebben onderzocht. Nu niet blijkt dat t.a.v. die waarschijnlijkheid verweer is gevoerd, is het oordeel van de Rb dat veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf niet in een nadeliger positie is komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken