HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:943
WOTS-zaak. Tul in NL van een in Frankrijk opgelegde straf. Aftrek voorarrest. Tegen de achtergrond van hetgeen in de conclusie AG is opgemerkt over de totstandkoming van art. 11.1ahf.c van het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen (VOGP; Trb. 1983, 74), moet worden aangenomen dat bij de oplegging van de in art. 31.1 WOTS bedoelde straf ook geheel in mindering wordt gebracht de tijd die de veroordeelde - voorafgaand aan zijn uitlevering of overlevering aan en veroordeling in de vreemde staat - in NL in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, ingeval aan die voorlopige hechtenis in NL en aan de veroordeling in de vreemde staat hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. Het andersluidende oordeel van de Rb is onjuist. In het licht hiervan, en gelet op de omstandigheid dat zowel in de uitspraak van de Rb, als in de stukken die betrekking hebben op de vervolging van veroordeelde in Frankrijk, sprake is van strafbare feiten m.b.t. een op 24 september 2008 in Frankrijk aangetroffen hoeveelheid van 1790 kg cannabis, had de Rb moeten doen blijken van een nader onderzoek naar de vraag of aan de door veroordeelde in NL doorgebrachte voorlopige hechtenis en aan zijn veroordeling in Frankrijk hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt.
De uitspraak op rechtspraak.nl