HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1521
WOTS. Art. 44.2 EVIG. Zwaardere strafoplegging dan de straf die veroordeelde in de verzoekende staat (België) zou hebben moeten ondergaan? Het onderzoek dat de rechter moet instellen als veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verscherpt als bedoeld in art. 44.2 EVIG, zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is - alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is - dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die t.t.v. de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging. Meer concreet betekent dit dat de rechter, indien een dergelijk verweer is gevoerd, ervan blijk moet geven te hebben onderzocht - zonodig onder het doen inwinnen van nadere inlichtingen bij de verzoekende staat - of een eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling waartoe in de verzoekende staat bij voortgezette tenuitvoerlegging zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeliger positie zou zijn komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft. (Vgl. ECLI:NL:HR:2015:770). Het voorgaande geldt ook indien een dergelijk verweer inhoudt dat in de verzoekende staat de detentie wordt omgezet in elektronische detentie. De Rb heeft niet blijk gegeven te hebben onderzocht, zonodig onder het doen inwinnen van nadere inlichtingen bij de verzoekende staat, of bij voortgezette tenuitvoerlegging van de straf in de verzoekende staat zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid de gevangenisstraf die aan veroordeelde is opgelegd (deels) zou worden tenuitvoergelegd in de vorm van elektronische detentie. In aanmerking genomen dat art. 44.2 EVIG een verscherping van de strafrechtelijke positie van veroordeelde uitsluit en gelet op het verweer dat te dien aanzien namens veroordeelde is gevoerd, heeft de Rb haar oordeel dat door de “strafmaat van effectief een jaar gevangenisstraf met aftrek het gebod om niet zwaarder te straffen dan de rechter die de straf oorspronkelijk heeft opgelegd”, niet is geschonden ontoereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl