HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:770

Wots-zaak. Overname van een in België opgelegde straf. Detentieduur. Art. 44 van het Europees verdrag inzake de geldigheid van strafvonnissen, Trb. 1971, 137 (EVIG) jo. art. 31.1 WOTS en de VI-regeling. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1570 en ECLI:NL:HR:1997:ZD0883. De Rb heeft n.a.v. een dienaangaand gevoerd verweer de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie van veroordeelde in de staat van veroordeling onderzocht. Gelet hierop en in aanmerking genomen de informatie afkomstig van de Belgische autoriteiten inhoudende dat de procedure van de voorwaardelijke invrijheidstelling “tamelijk langdurig (6 maanden, in de praktijk vaak meer)” is, is het oordeel van de Rb dat veroordeelde t.g.v. de door haar opgelegde gevangenisstraf niet in een nadeliger positie komt te verkeren w.b. de daadwerkelijke duur van zijn detentie, niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken