Conclusie A-G Wattel 20 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:970

Verhuurderheffing; ‘voor verhuur bestemde woning’ in de zin van art. 2(a) Wvh; liefdadigheidsstichting stelt hofjeswoningen ter beschikking aan niet-draagkrachtige alleenstaande vrouwen om niet of tegen zo gering mogelijke vergoeding; tegenprestatie in de zin art. 7:201 BW (huur)? Discrepantie tussen de bedoelingen en veronderstellingen van de wetgever en de feitelijke gevolgen van de heffing Feiten: Stichting beheert een hof met 40 hofjeswoningen. Zij heeft ten doel om gratis of tegen een zo gering mogelijke bijdrage hofjeswoningen voor bewoning ter beschikking te stellen aan minder draagkrachtige alleenstaande vrouwen. Naast een door de bewoonsters ondertekend bewoningsreglement is er geen schriftelijk vastgelegde rechtsbetrekking. Het gemiddelde van de door de bewoonsters op basis van dat reglement betaalde bijdragen is € 50 per maand. De meerderheid van de bewoonsters zit daar beneden: 13 bewoonsters betalen € 19 per maand; 18 bewoonsters € 46. Het totaal van de bijdragen is niet kostendekkend. De belanghebbende heeft voor de verhuurderheffing 2013 een te voldoen bedrag ad € 399 aangegeven. In geschil is of de belanghebbende belastingplichtig is voor de verhuurderheffing. De Rechtbank Den Haag achtte de belanghebbende belastingplichtig, nu haar hofje uit meer dan de voetvrijstelling van 10 huurwoningen bestaat. Voor de uitleg van de term ‘verhuur’ in art. 2(a) Wet verhuurderheffing (Wvh) (‘voor verhuur bestemde woning’) heeft de Rechtbank aansluiting gezocht bij het huurbegrip in art. 7:201 BW. Ook het Hof Den Haag achtte de belanghebbende belastingplichtig en ook hij heeft de term ‘verhuur’ uitgelegd op basis van art. 7:201 BW. Hij achtte een vergoeding ad gemiddeld € 50 per maand niet symbolisch maar een rechtstreekse tegenprestatie voor het in gebruik verstrekken van een woning, in aanmerking nemende dat (i) voor belanghebbendes doelgroep een dergelijk bedrag geenszins verwaarloosbaar is naast de kosten van energie en water, (ii) de hoogte van de vergoeding onder meer afhangt van ligging en voorzieningen en (iii) de bewoonsters het bewoningsreglement moeten naleven. Dat de vergoedingen niet kostendekkend zijn, bracht het Hof niet tot een ander oordeel. In cassatie stelt de belanghebbende dat geen sprake is van huurwoningen in de zin van art. 2(a) Wvh omdat geen sprake is van huur in de zin van art. 7:201 BW, nu de maandelijkse betalingen niet kunnen gelden als rechtstreekse tegenprestaties voor het in gebruik verstrekken van een woning. Ook A-G Wattel sluit aan bij het civiele huur(beschermings)recht voor de vraag of het om voor ‘verhuur’ bestemde woningen gaat. Art. 7:201 BW stelt voor ‘verhuur’ twee eisen: (i) het door de verhuurder aan de huurder in gebruik verstrekken van (in casu) woonruimte (ii) een tegenprestatie door de huurder. Het gaat in casu om de tegenprestatie. De A-G maakt uit de civiele rechtspraak en literatuur op dat beslissend is of de bewoonster en de belanghebbende met het bewoningsreglement en de maandelijkse vergoeding voor ogen heeft gestaan – en of het ook feitelijk zo is – dat de bewoonster een voldoende bepaalbare en rechtens afdwingbare prestatie verricht jegens de belanghebbende in uitsluitend verband met en niet irreëel in verhouding tot het gebruik van de woonruimte. Of het om huur gaat, moet per woning en per bewoonster beoordeeld worden op basis van deze maatstaf. Volgens hem heeft het Hof deze maatstaf niet aangelegd of hem verkeerd toegepast, dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De gemiddelde maandelijkse bijdrage noch de inkomens- en vermogenspositie van de bewoonsters doen ter zake. Het gemiddelde bedrag werpt geen licht op de vraag of de individuele bijdrage strekt tot het enkele gebruik van de woning en daarmee in een niet-irreële verhouding staat. ‘s Hofs argument (ii) lijkt sterker, maar werpt daarop evenmin veel licht, nu de belanghebbende gemeentelijke lasten voor de bewoners draagt, die niet verwaarloosbaar zijn, en die bijdragen, ook indien rekening wordt gehouden met ligging of voorzieningen onverklaarbaar laag zijn. De inkomens- of vermogenspositie van de bewoonster is irrelevant voor de vraag waartoe haar betaling strekt, anders zou een miljardair geen rijtjeshuis kunnen huren. Dat een bewoonster het bewoningsreglement moet naleven, werpt evenmin licht op de vraag of aan de genoemde maatstaf is voldaan, nu dat reglement behalve de maandelijkse bijdrage geen prestatie van de bewoonsters vraagt die strekt tot compensatie voor het enkele gebruik van de woning, en dat reglement voor huur juist ongebruikelijke bepalingen bevat. In het licht hiervan hiervan acht de A-G niet begrijpelijk of rechtskundig onjuist ’s Hofs oordeel dat bij alle bewoonsters sprake is van huur. Ook als aan de wettelijke omschrijving van huur wordt voldaan, is volgens HR NJ 2012/73 niet dát beslissend, maar of in de gegeven omstandigheden, gelet op wat partijen ten tijde van het tekenen van het bewoningsreglement voor ogen stond, de inhoud en strekking van hun rechtsbetrekking van dien aard zijn dat zij als huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Het Hof lijkt daaraan voorbijgegaan te zijn. De A-G onderzoekt nog of de belanghebbende - als het wél om huur gaat – wel geacht kan worden onder de personele reikwijdte van de Wet verhuurderheffing te vallen. Een charitatieve terbeschikkingsteller zoals zij, wier minder draagkrachtige alleenstaande bewoonsters ook bij een extreme bijdrageverhoging - die echter niet mogelijk is als het om huur gaat - niet binnen het bereik van de door de wetgever veronderstelde huurtoeslag kunnen komen te vallen, bij wie van ‘vet’ geen sprake kan zijn, die geen objectsubsidies geniet of heeft genoten, voor wie vraag- en prijsondersteunend overheidsbeleid geen betekenis heeft (gehad), voor wie door de overheid mogelijk gemaakte huurverhoging tegen scheefhuren irrelevant is, voor wie het overheidsbeleid geen bijdrage kan hebben geleverd aan marktstabiliteit of gewaarborgde inkomsten, en voor wie de verhuurderheffing desondanks vier tot acht keer zo hoog uitvalt als de wetgever veronderstelde, die dus op geen enkel relevant punt adressaat kan zijn van de verklaarde bedoelingen van de wetgever, en die óók buiten de veronderstellingen van de wetgever valt die hem deden afzien van een regeling voor hofjes, valt zijns inziens teleologisch buiten de personele reikwijdte van de Wet. Nu zij echter wel onder de tekst valt (als sprake is van huur) en de door de wetgever niet voorziene gevolgen voor gevallen zoals dat van de (bewoonsters van de) belanghebbende zich pas in de jaren ná 2013 voordoen, meent de A-G dat het thans niet aan de rechter is om gevolgen te verbinden aan de manifeste discrepantie tussen de bedoelingen en veronderstellingen van de wetgever en de pas na 2013 optredende gevolgen in gevallen zoals dat van de belanghebbende. Conclusie: cassatieberoep gegrond; verwijzing naar de feitenrechter.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken