Conclusie A-G Wattel 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467

Sprongcassatie, verhuurderheffing, discriminatie van volle eigenaren doordat tijdelijk niet geheven kon worden van mede-eigenaren na HR BNB 2018/144? Schending gelijkheidsbeginsel door begunstigend beleid? (On)gelijke gevallen? Rechtvaardiging? Beroep op contra legem werking algemene rechtsbeginselen Feiten: De belanghebbende is een woningcorporatie. Zij heeft in 2019 op aangifte verhuurderheffing voldaan voor de huurwoningen die zij in eigendom heeft. De website van de Belastingdienst vermeldde in 2019 tot 24 december dat mede-eigenaren van huurwoningen voor 2019 geen aangifte hoefden te doen voor de verhuurderheffing, dit naar aanleiding van HR BNB 2018/144, waarin de Hoge Raad de willekeurige verhuurderheffing ten laste van mede-eigenaren onverenigbaar achtte met de discriminatie- en willekeurverboden. De belanghebbende meent dat daardoor op hun beurt in 2019 alle volle eigenaren werden gediscrimineerd, die immers wél aangifte moesten doen en betalen. Voor de Rechtbank was in geschil of de verhuurderheffing 2019 ook jegens de belanghebbende achterwege moet blijven op grond van het verdragsrechtelijke discriminatieverbod (art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM jo. art. 1 Eerste Protocol EVRM en het Twaalfde Protocol EVRM) of het gelijkheidsbeginsel van behoorlijk bestuur. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard. De belanghebbende is in 2019 inderdaad anders behandeld (belast) dan mede-eigenaren (niet belast), hoewel zij gelijk waren op basis van de ratio van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (WMW), die ertoe diende om verhuurders van woningen in de gereguleerde sector te belasten. dat werd echter niet veroorzaakt door de WMW, maar door HR BNB 2018/144. De Rechtbank meende daarom alleen te kunnen beoordelen of de wetgever de door dat arrest ontstane ongelijkheid binnen een redelijke termijn heeft weggenomen. Dat heeft de wetgever volgens haar gedaan, zodat zij het discriminatieverbod niet geschonden achtte. De Rechtbank heeft in het midden gelaten of de mededeling op de website als beleid kan worden aangemerkt. Als dat al het geval zou zijn, berustte zij op een onjuiste rechtsopvatting die voldoende voortvarend door de wetgever is gecorrigeerd, waardoor ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel als bestuursbeginsel strandt. Belanghebbende stelt in sprongcassatie drie middelen voor, waarin A-G Wattel vijf klachten leest. De Rechtbank heeft ten onrechte (i) geoordeeld dat de ongelijke behandeling niet rechtstreeks voortvloeit uit de WMW, maar uit HR BNB 2018/144, (ii) geoordeeld dat de wetgever niet onaanvaardbaar heeft getalmd met reparatie, (iii) zich niet uitgelaten over de aard van de mededeling op de website van de Belastingdienst en is ten onrechte voorbijgegaan aan belanghebbendes beroep op het evenredigheidsbeginsel, (iv) geoordeeld dat de mededeling op de website berust op een onjuiste rechtsopvatting over de verhuurderheffing, en (v) miskend dat de verhuurderheffing 2019 ten laste van de belanghebbende zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat zij achterwege moet blijven (contra legem werking van algemene rechtsbeginselen). A-G Wattel meent ad (i) dat mede-eigenaren zonder het arrest HR BNB 2018/144 net als volle eigenaren belast zouden zijn gebleven over de waarde van de volle eigendom, zij het volgens een bij die mede-eigenaren willekeurige en daarmee discriminatoire aanwijsregel van één mede-eigenaar zonder regresregeling. Dat de medewetgever Kamervragen over een mogelijk discriminatoir effect van art. 1.3 WMW op de heffing bij mede-eigenaren tijdens de parlementaire behandeling ten onrechte heeft weggewuifd, maakt dat niet anders. Het gaat bij die bepaling immers alleen om ongelijke behandeling van mede-eigenaren onderling, die evenredig naar waarde-aandeel in de heffing betrokken zouden hebben moeten worden. De onrechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren had geen enkele invloed op de positie van volle eigenaren. Zij kunnen dan niet meeliften op onrechtmatigheid uitsluitend jegens bepaalde mede-eigenaren. De A-G Wattel meent dat klacht (i) doel mist. Hij meent dat de Rechtbank volle eigenaren en mede-eigenaren terecht vergelijkbaar heeft geacht, bezien vanuit de ratio van de verhuurderheffing. De stelling dat zij niet vergelijkbaar zijn omdat de buiten toepassing gelaten mede-eigendomsbepaling (art. 1.3 WMW) alleen gold voor mede-eigenaren, lijkt hem onjuist omdat art. 1.3 WMW na HR BNB 2018/144 evenmin nog gold voor mede-eigenaren, juist omdat die bepaling het discriminatieverbod schond. De vergelijkingsmaatstaf is uiteraard het doel van de verhuurderheffing. Ook in het arbeidskostenforfaitarrest HR BNB 1999/271 werd de vraag naar de vergelijkbaarheid van de gevallen uiteraard beoordeeld vanuit het doel van de inkomstenbelasting (het belasten van inkomen). Duidelijk is dan dat mede-eigenaren in 2019 gunstiger behandeld werden dan volle eigenaren. Dan is de vraag of daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond. Uit de parlementaire geschiedenis van de reparatiewetgeving leidt A-G Wattel af dat de wetgever weliswaar andere opties heeft overwogen, maar dat de lange duur van de reparatie zijn oorzaak vond in de lage politieke en budgettaire prioriteit van het reparatiedossier: laten liggen kostte slechts een “beperkte” derving ad € 1 miljoen per jaar aan verhuurderheffing van mede-eigenaren. Het lijkt de A-G niet van elke redelijke grond ontbloot dat de wetgever zijn wetgevingsagenda prioriteert op basis van budgettair, politiek of maatschappelijk belang van het dossier. Dat de reparatie met haastwerk en terugwerkende kracht misschien ook een jaar eerder zou hebben kunnen ingaan, is geen grond om de gehele verhuurderheffing onrechtmatig te verklaren, die juist zozeer was bedoeld voor kleine verhuurders/mede-eigenaren, maar voor commerciële grote verhuurders/volle eigenaren. In 2019 zong wellicht ook al het voornemen rond om de verhuurderheffing af te schaffen. Het heeft weinig zin om een klein lek te dichten als de supertanker toch al naar de scrap yard vaart. De verhuurderheffing is per 1 januari 2023 afgeschaft. A-G Wattel meent daarom dat ook klacht (iii) strandt. Zelfs als wél een schending van het discriminatieverbod zou worden aangenomen, zou dat niet leiden tot vrijdom ook bij volle eigenaren. De ongelijke behandeling van volle en mede-eigenaren in 2019 berust niet op een inhoudelijke keuze van de wetgever, maar op het door de Hoge Raad buiten toepassing laten van art. 1.3 WMW, die tijdelijk een – inderdaad ongerechtvaardigd – privilege voor mede-eigenaren deed ontstaan. In zo’n geval moet rechtsherstel bestaan uit intrekking van dat privilege door de wetgever; niet uit maximale proliferatie van dat – immers ongerechtvaardigde - privilege door de rechter. Belanghebbendes betoog dat de mededeling op de website van de Belastingdienst als beleidsuiting getoetst had moeten worden aan het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in de Harderwijk-uitspraak van de ABRvS (klacht (iii)) lijkt A-G Wattel niet ter zake. Die zaak betrof de (on)evenredigheid van een woningsluiting op basis van een discretionaire bevoegdheid van de burgemeester. In belanghebbendes zaak is geen sprake van enige discretionaire bevoegdheid of enig beleid van enig bestuursorgaan. De Executieve had geen keuze dan de uitspraak van de rechter volgen en kon niets anders dan de heffing achterwege laten bij mede-eigenaren totdat de Legislatieve zijn fout hersteld zou hebben. Bij belanghebbendes voldoening-op-aangifteplicht bestaat evenmin enige beleidsvrijheid of -ruimte voor de fiscus, die formeel-wettelijk verplicht is de verhuurderheffing bij eigenaren te heffen en te innen. Daarop stuit ook klacht (iv) af: de mededeling op de website is geen beleid of discretionair besluit. Overigens heeft de Rechtbank volgens de A-G terecht geoordeeld dat als het wel om beleid zou gaan, dat zou berusten op de rechtskundig onjuiste opvatting dat mede-eigenaren niet onderworpen zouden zijn, welke opvatting niet uitgebreid kan worden naar alle andere onderworpenen, tenzij de fiscus, na door de rechter op de onjuistheid ervan gewezen te zijn, dat onjuiste beleid voortzet (Bewindslieden-dienstauto-arrest). Daarvan is in casu geen sprake. De fiscus kon niets intrekken of wijzigen; dat kon alleen de wetgever. Ad klacht (v) meent A-G Wattel dat de belanghebbende geen beroep toekomst op de contra legem werking van algemene rechtsbeginselen bedoeld in het Harmonisatiewetarrest. Er kan geen twijfel over bestaan dat de wetgever wél voorzag en juist expliciet beoogde verhuurders zoals de belanghebbende te belasten. De wetgever voorzag weliswaar HR BNB 2018/144 niet en evenmin dat een ongerechtvaardigde tijdelijke privilegiëring van mede-eigenaren zou kunnen ontstaan, maar dat levert geen onvoorziene onaanvaardbare hardheid jegens volle eigenaren op. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken