Conclusie A-G Wattel 28 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1374

Feiten en geschil: De belanghebbende is met twee broers voor gelijke delen mede-eigenaar van 13 gereguleerde huurwoningen in de zin van de Wet verhuurderheffing (Wvh). De WOZ-beschikkingen voor alle 13 woningen zijn aan hem bekend gemaakt, waardoor hij ingevolge de artt. 3 en 4 Wvh als enige belastingplichtig is en heffing verschuldigd is over de gemiddelde waarde van 3 huurwoningen (na aftrek van de heffingsvrije voet ad 10 woningen). De belanghebbende heeft de verschuldigde verhuurderheffing (€ 77) op aangifte voldaan en daar vervolgens bezwaar tegen gemaakt. Hij meent dat hij geen verhuurderheffing is verschuldigd omdat een derde van 13 woningen beneden de heffingsvrijevoet van 10 woningen blijft. Door woningen in mede-eigendom uitsluitend in aanmerking te nemen bij degene aan wie de gemeente toevallig de WOZ-beschikking bekend maakt, ontstaan volgens hem willekeurige en onredelijke uitkomsten, c.q. een voor hem buitensporige last. De Rechtbank-Zeeland/West-Brabant en in hoger beroep het Hof Den Bosch overwogen dat zij de innerlijke redelijkheid en billijkheid van formele wetgeving niet beoordelen. Het Hof vatte belanghebbendes (hogere) beroep op als een beroep op het discriminatieverbod ex art. 14 EVRM en het eigendomsgrondrecht ex art. 1 EP EVRM en overwoog dat de keuze van de wetgever om aan te knopen bij de bekendmaking van WOZ-beschikkingen gebaseerd is op overwegingen van eenvoud en doelmatigheid. Hoewel niet is uitgesloten dat ongelijke behandeling kan optreden doordat verschillende gemeenten verschillend beleid voeren, achtte het Hof deze keuze van de wetgever niet van redelijke grond ontbloot. Voor hetgeen de belanghebbende meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn medegerechtigdheid heeft hij volgens het Hof regres op zijn mede-eigenaren. Van een individuele en buitensporige last is geen begin van bewijs geleverd. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De belanghebbende stelt in cassatie zes middelen voor, namelijk: (i) en (ii) het systeem van de Wvh leidt tot willekeurige en onredelijke belastingheffing die in casu het gelijkheidsbeginsel schendt, (iii) er is geen regresmogelijkheid; (iv) en (v) niet-begrijpelijk is het oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last; (vi) ten onrechte is geen vergoeding van proceskosten toegekend. A-G Wattel constateert dat de wetgever uit een oogpunt van eenduidige en objectieve wetgeving en doelmatigheid voor alle betrokkenen de verhuurderheffing heeft doen aansluiten bij het stelsel van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De Wvh wijst daarom in beginsel hetzelfde subject aan als de Wet WOZ en heeft als grondslag de som van de WOZ-waarden van de huurwoningen waarvan dat subject het genot heeft, minus 10 maal de gemiddelde WOZ-waarde van de woningen ter zake waarvan hij het genot heeft (voetvrijstelling). Als er meerdere genothebbenden van een woning zijn, wordt die woning in aanmerking genomen bij degene aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt, ongeacht het aantal genothebbenden en ongeacht de omvang van hun deel- of huuropbrengstgerechtigdheid. Door de aansluiting bij art. 24(4) Wet WOZ bij medegerechtigdheid hangen het al dan niet ontstaan van belastingplicht voor de verhuurderheffing en de vraag wie (als enige) belastingplichtig is, af van het adresseringsbeleid van gemeenten. Volgens de wetgever ontvangt in de praktijk veelal de oudste mede-genothebbende de beschikking. De keuze van de wetgever om voor de Wvh aan te sluiten bij de Wet WOZ is volgens de A.-G. op zichzelf niet van redelijke grond ontbloot. Anders dan bij gemeentelijke belastingen, is voor de verhuurderheffing slechts één medegerechtigde belastingplichtig en belastingschuldig (de WOZ-beschikkeling). En anders dan de Gemeentewet (art. 253) voor gemeentelijke heffingen, voorziet de Wvh niet in een regresregeling ter zake van de verhuurderheffing. Ook de Invorderingswet voorziet daar niet in. De medewetgever heeft bij de parlementaire behandeling van de Wvh slechts opgemerkt dat medegerechtigden ‘in een privaatrechtelijke verhouding tot elkaar staan’. Artikel 3:172 BW (draagplicht deelgenoten in eenvoudige gemeenschap) biedt volgens de A-G echter geen uitkomst. Ook overigens ziet hij geen rechtsbasis voor regres. Het inconsistente uitdrukken van de heffingsgrondslag in een geldwaarde en van de (subjectgebonden) voetvrijstelling in een aantal woningen dat bovendien eveneens voorbijgaat aan de werkelijke eigendomsverhoudingen, leidt volgens de A-G voorts tot het willekeurig ontstaan of juist niet-ontstaan van belastingplicht, tot het willekeurig gelden van één of meer voetvrijstellingen, tot diametraal tegengestelde uitkomsten in feitelijk identieke situaties en tot verbijsterend eenvoudige mogelijkheden tot voorkoming van de heffing die niet als misbruik gekwalificeerd kunnen worden. Hij geeft daarvan diverse voorbeelden. De A.-G. meent dat aldus het gelijkheidsbeginsel dubbel geschonden wordt, zowel bij het al dan niet ontstaan van belastingplicht en het al dan niet (meer malen) gelden van de voetvrijstelling, als bij het ontbreken van regres van de willekeurig belastingplichtige gemaakte op zijn medegerechtigden. Indien de desbetreffende gemeente(n) zijn/hun adresseringsbeleid baseren op leeftijd, zoals de wetgever veronderstelde, zijn deze schendingen bovendien gebaseerd op leeftijdsdiscriminatie (een aangeboren kenmerk). . Conclusie: cassatieberoep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken