Conclusie A-G Ettema 2 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:499
Belanghebbende bezit een oldtimer. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) voor dergelijke auto’s is per 1 januari 2014 gewijzigd. Belanghebbende heeft per genoemde datum alleen recht op toepassing van de vrijstelling als zijn oldtimer ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Omdat de oldtimer van belanghebbende niet aan genoemde voorwaarde voldoet, kan belanghebbende per 1 januari 2014 geen aanspraak maken op de vrijstelling. Wel kan hij in het onderhavige tijdvak gebruikmaken (en dat doet belanghebbende ook) van de overgangsregeling, op grond waarvan hij op jaarbasis € 120 mrb is verschuldigd. De overgangsregeling brengt mee dat belanghebbende in de maanden januari, februari en december van een kalenderjaar met zijn oldtimer geen gebruik mag maken van de openbare weg. Het alternatief is een hogere heffing van mrb. In de onderhavige zaak houdt partijen verdeeld of 1) belanghebbende is benadeeld doordat de Inspecteur hem in bezwaar niet heeft gehoord, 2) de wijziging van het oldtimerregime per 1 januari 2014 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP) en 3) belanghebbende recht heeft op toepassing van het oldtimerregime zoals dat gold vóór 1 januari 2014 op de grond dat de aan hem in 2005 en 2009 afgegeven vrijstellingsbeschikkingen niet zijn ingetrokken of vervallen. Hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) heeft geoordeeld dat belanghebbende niet is benadeeld door het niet-horen. Voorts oordeelt het Hof dat de vrijstellingsbeschikking uit 2005 is vervallen toen belanghebbende in 2007 het houderschap van de oldtimer verloor. De vrijstellingsbeschikking uit 2009 heeft naar het oordeel van het Hof haar werking verloren met inwerkingtreding van de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2014. Tot slot is het Hof van oordeel dat geen sprake is van een verboden inbreuk op het ongestoord genot van eigendom (artikel 1 EP), omdat is voldaan aan de vereisten van ‘lawfulness’, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. A-G Ettema start haar conclusie met de beantwoording van de vraag of belanghebbende, doordat hij in bezwaar niet is gehoord, is benadeeld. Zij meent dat dit niet het geval is omdat omtrent de vastgestelde feiten en de waardering daarvan tussen de Inspecteur en belanghebbende geen verschil van mening bestaat en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Uit het feit dat belanghebbende bij de Inspecteur een verzoek om prorogatie heeft ingediend, volgt dat hij geen behoeft had aan het uitwisselen van standpunten met de Inspecteur. Nadat zij de historie van de oldtimervrijstelling heeft weergegeven, komt de A-G toe aan de vraag of de wijziging van de oldtimervrijstelling per 1 januari 2014 strijd oplevert met artikel 1 EP. Daartoe bespreekt zij diverse arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad. A-G Ettema komt tot de conclusie dat voornoemde wetswijziging voldoende voorzienbaar en daarmee lawful is. Voorts meent zij dat, hoewel de periode tussen de aankondiging van de wetswijziging en de invoering daarvan kort is, sprake is van een fair balance tussen het algemeen belang en de bescherming van de individuele rechten van belanghebbende. De stelling van belanghebbende, dat de feiten met betrekking tot het gebruik van oldtimers anders liggen dan waarvan het Hof uitgaat, kan niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het Hof dat sprake is van een legitimate aim, is niet onbegrijpelijk. De doelen die de wetgever nastreeft met de wijziging van het oldtimerregime (het beperken van milieuschade, meeropbrengst voor de schatkist en het in standhouden van mobiel cultureel erfgoed) zijn van algemeen belang, aldus de A-G. De wetgever is gebleven binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid. Tot slot meent de A-G dat in casu geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Bij de toetsing van dit criterium heeft het Hof volgens de A-G de juiste maatstaf aangelegd. De A-G komt tot de slotsom dat met de wijziging van het oldtimerregime per 1 januari 2014 geen ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op het ongestoord recht op eigendom, neergelegd in artikel 1 EP. Als derde bespreekt de A-G de klachten van belanghebbende betreffende de vrijstellingsbeschikkingen die in 2005 en 2009 aan hem zijn afgegeven. Belanghebbende is van mening dat deze niet zijn ingetrokken (of vervallen) en dat hij daarom ook na 1 januari 2014 nog aanspraak kan maken op de oldtimervrijstelling. A-G Ettema constateert dat de Algemene wet bestuursrecht geen algemene regels kent met betrekking tot de intrekking of het vervallen van besluiten en beschikkingen en dat voorts geen overgangsregeling is getroffen voor eerder afgegeven vrijstellingsbeschikkingen. De A-G vat de middelen van belanghebbende aldus op dat hij in wezen een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep faalt. In de eerste plaats omdat belanghebbende niet opkomt tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de vrijstellingsbeschikking uit 2009 dat hij geen beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel en in de tweede plaats omdat door het afgeven respectievelijk het niet intrekken van de beschikkingen bij belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat voor de oldtimer ook na 1 januari 2014 een vrijstelling van mrb geldt. A-G Ettema concludeert dat de middelen van belanghebbende falen en dat diens beroep in cassatie ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 120 Gw
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 7:1a Awb
- Artikel 7:2 Awb
- Artikel 222 Provinciewet
- Artikel 1 Wet MRB 1994
- Artikel 6 Wet MRB 1994
- Artikel 7 Wet MRB 1994
- Artikel 8 Wet MRB 1994
- Artikel 11 Wet MRB 1994
- Artikel 24b Wet MRB 1994
- Artikel 72 Wet MRB 1994
- Artikel 84a Wet MRB 1994
- Artikel 84b Wet MRB 1994
- Artikel 72 WVW
- Artikel 12 Uitv besl MRB 1994
- Artikel 27 Uitv besl MRB 1994
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 12 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1012
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121
- HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124
- Rb. Noord-Nederland 14 januari 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:99
- Conclusie A-G Niessen 22 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2204
- Rb. Gelderland 15 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5728
- Rb. Gelderland 21 juli 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4665
- Rb. Gelderland 30 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4282
- Rb. Den Haag 7 mei 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:5754
- Hof 's-Hertogenbosch 17 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1378
- Rb. Noord-Holland 13 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3044
- Rb. Zeeland-West-Brabant 9 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:2920
- Rb. Den Haag 26 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4060
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 februari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:3018
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 november 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:8359
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1524
- EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911
- EHRM 7 juni 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD003843309
- HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1943