Conclusie A-G Wattel 28 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:184
Feiten: De belanghebbende heeft registratie in het kentekenregister van twee kennelijk gebruikte auto’s aangegeven voor de BPM op basis van een bepaalde koerslijst en heeft tegen zijn voldoening van BPM op die basis bezwaar gemaakt. De gemachtigde van de belanghebbende was uitgenodigd voor een hoorgesprek over een groot aantal bezwaren (over een groot aantal ingevoerde gebruikte auto’s) van twee belanghebbenden (importeurs van dergelijke auto’s). Tijdens het hoorgesprek over de auto’s van de andere importeur is ‘onenigheid’ ontstaan over de wijze waarop de gemachtigde en die andere importeur wensten te worden uitgenodigd voor hoorgesprekken en over machtigingen. Daarop hebben de gemachtigde en die andere importeur het hoorgesprek beëindigd, waarbij de gemachtigde zei ook geen behoefte meer te hebben gehoord te worden in de zaken van de belanghebbende. Geschil: de belanghebbende voert 7 middelen aan, die alle schending van enig EU-recht stellen. Zes daarvan, over (i) vergoeding van griffierecht; (iii) beroep op ex rental waardering (iv) integrale proceskostenvergoeding; (v) Irimie-rente; (vi) gestelde renteschade en (vii) kosten bezwaarfase, worden kort behandeld in deze conclusie, die vooral gaat over middel (ii), dat klaagt over schending van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel en het hoorrecht ex art. 7:2 Awb. De conclusie gaat verder in op de vraag of en hoe de Hoge Raad leiding kan geven aan de wijze waarop rechters omgaan met schriftelijk gescheld en getier van een gemachtigde tegen ambtenaren en rechters persoonlijk en tegen de instituties waarbinnen zij werken. De Rechtbank Den Haag oordeelde dat op basis van een afspraak tussen de inspecteur en de gemachtigde 5% korting op de gehanteerde koerslijst moest worden toegepast. Zij achtte de hoorplicht niet geschonden, nu de belanghebbende voor een hoorgesprek is uitgenodigd en daadwerkelijk een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Dat als gevolg van oneindigheid in andere vergelijkbare zaken dit individuele bezwaar uiteindelijk niet is besproken, neemt niet weg dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Het Hof Den Haag heeft zich met overneming van gronden aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank. In cassatie stelt de belanghebbende onder meer dat het Hof de artt. 7:2 Awb en 7:3 Awb en het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De Staatssecretaris stelt dat, nu de gemachtigde zelf het hoorgesprek heeft afgebroken, de hoorplicht niet geschonden kan zijn. A-G Wattel maakt uit de rechtspraak van het HvJ EU op dat het verdedigingsbeginsel de lidstaten niet verplicht om een hoorgesprek te houden, maar slechts om gelegenheid te bieden tot zienswijzen geven (HvJ Mediocurso) en dat het verdedigingsbeginsel niet alleen een opdracht aan het bestuur inhoudt - gelegenheid bieden om zienswijzen te geven en daarmee rekening te houden - maar ook aangeeft waarop die zienswijze ziet, nl. op ‘de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren’ (HvJ Sopropé). Het verdedigingsbeginsel kan dan ook niet ingeroepen worden om een openbaar debat te eisen (HvJ Gollnisch), om een administratieve procedure te rekken of te heropenen (HvJ Mukarubega) of om te eisen gehoord te worden als dat niets zou toevoegen (HvJ C-301/87, Frankrijk v. Commissie). Als een belanghebbende of zijn gemachtigde ervoor kiest de gelegenheid voor zienswijzen te gebruiken voor andere doeleinden, bijvoorbeeld om het bestuursorgaan de les te lezen over de wijze waarop zij uitgenodigd wensen te worden of over hoe zij wensen dat het administratief omgaat met hun uiteenlopende (maten van) (mondelinge) machtigingen, of voor het beschimpen en beledigen van ambtenaren of rechters, dan kan het bestuursorgaan geen schending van het verdedigingsbeginsel worden verweten als daardoor de tijd voor het geven van zienswijzen op de elementen van het voorgenomen besluit voorbij geraakt. Wie zijn recht oneigenlijk gebruikt, verwerkt het. Als een gemachtigde door eigen wangedrag in bepaalde, met wél besproken dossiers vergelijkbare dossiers niet nog eens separaat zijn standpunt heeft kunnen geven tijdens het daarvoor bestemde gesprek, kan dat alleen hem verweten worden. Er bestaat ook geen Unierechtelijke verplichting om een gemachtigde of belanghebbende die expliciet heeft aangegeven niet meer gehoord te willen worden in zijn zaken, nogmaals in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt kenbaar te maken. Van schending van het verdedigingsbeginsel is volgens de A-G dus geen sprake. Zou dat anders zijn, dan zou daaraan volgens het HvJ (Kamino en Hellmann en Prequ’Italia) alleen gevolg voor het besluit verbonden zijn als zonder het hoorgebrek de bezwaarprocedure een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De gemachtigde heeft volgens het gespreksverslag bij aanvang van het gesprek verklaard dat zijn cliënt geen inzage wenste en het niet inhoudelijk over de dossiers wilde hebben, maar dat het gesprek zou gaan over de wijze van uitnodigen en over de wijze waarop administratief omgegaan moest worden met door de gemachtigde en diens aanwezige cliënt gecreëerde onduidelijkheden over de (mate) van (mondelinge) machtiging. Verder wilde de gemachtigde kennelijk de integriteit van de horende ambtenaar in twijfel trekken en verklaarde hij ook in de ‘niet-[B]-dossiers’ (die van de belanghebbende) niet meer gehoord te willen worden. Het gesprek zou dus hoe dan ook geen andere uitkomst gehad kunnen hebben, zodat aan enig hoorgebrek, als daarvan al sprake zou zijn, geen gevolgen verbonden zijn. Dat volgt volgens de A-G ook uit art. 6:22 Awb. Uit één en ander volgt volgens de A-G ook dat het internrechtelijke hoorrecht ex art. 7:2 Awb evenmin is geschonden. Hij merkt daarbij op dat het geen zin heeft om elk dossier afzonderlijk te bespreken bij een groot aantal min of meer identieke bezwaren met identieke bezwaargronden ingediend door dezelfde gemachtigde, nu dat niets zou toevoegen en hij wijst op rechtspraak van het CBb in die zin. De A-G acht ook de andere middelen ongegrond. De gemachtigde is al zeer vaak gewaarschuwd dat hij bij volharding in zijn intimiderende en beledigende bejegening van ambtenaren en rechters geweigerd zou worden. Omdat dat geen effect had, is hij ook al vaak door feitenrechters als gemachtigde geweigerd. Het lijdt volgens de A-G geen twijfel dat ‘ernstige bezwaren’ tegen deze gemachtigde bestaan als bedoeld in art. 8:25 Awb. Het is evident dat hij ‘herhaaldelijk de normale gang van zaken verstoort’ in zijn verkeer met de belastingdienst en met de rechtspraak en dat het overheids- en rechterlijke personeel beschermd moet worden tegen zijn structureel, jaar in, jaar uit, bedreigende en beledigende gedrag jegens hen in honderden dossiers. Duidelijk is ook dat hij daarmee de belangen van zijn cliënten beschadigt door het onmogelijk te maken kennis te nemen van de geheel in zijn gescheld en getier ondergesneeuwde eventuele feitelijke en rechtskundige onderdelen van zijn libel. Bovendien rijst de vraag naar de strafbaarheid van zijn uitlatingen jegens ambtenaren en rechters en de instituties die zij vertegenwoordigen (art. 266 en 267 Sr.). De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging om de gemachtigde nog één waarschuwing te geven en als daarna zijn geschriften en optreden niet volledig vrij zijn van onzakelijke uitlatingen, hem in de eerstvolgende zaak bij tussenuitspraak te weigeren als gemachtigde in alle op dat moment bij de Hoge Raad aanhangige zaken waarin hij optreedt, en om dan niet alleen hem te weigeren, maar ook alle (rechts)personen die onder zijn (feitelijke) leiding als gemachtigde in die zaken optreden. Als zijn eventuele Borgersbrief in reactie op deze conclusie niet volledig vrij is van onzakelijke woordkeus, zou de Hoge Raad ook kunnen overwegen hem meteen naar aanleiding daarvan reeds in deze zaak te weigeren. Conclusie: (i) cassatieberoep ongegrond; (ii) waarschuwing geven.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:341
- HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:66
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9786
- HR 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1619
- Hof 's-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3972
- HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579
- Rb. Gelderland 27 september 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:4362
- Rb. Noord-Holland 27 augustus 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7279
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6596
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6597
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6623
- Rb. Gelderland 9 augustus 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:3606
- Rb. Noord-Holland 9 juli 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:5851
- Rb. Gelderland 29 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2376
- Rb. Gelderland 19 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1746
- HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393
- HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:162
- HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59