Conclusie A-G Niessen 22 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2204

Belanghebbende is opgericht op 9 december 2005. Bij brief van 9 februari 2006 (hierna: de brief) heeft de Belastingdienst belanghebbende meegedeeld haar vanaf de oprichtingsdatum aan te merken als ANBI. Op 29 juni 2007 heeft belanghebbende een ANBI-aanvraag ingediend. In de aanvraag is het doel van de instelling omschreven en alle in dit forumlier opgenomen vragen zijn bevestigend beantwoord. Bij beschikking van 7 december 2007 (hierna: de beschikking) heeft de Inspecteur belanghebbende met ingang van 1 januari 2008 aangemerkt als ANBI. Bij beschikking van 21 november 2011 heeft de Inspecteur de ANBI-status van belanghebbende ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008. Het geschil in cassatie betreft de vraag of de Inspecteur de ANBI-beschikking terecht heeft ingetrokken en zo ja, of hij dit heeft kunnen doen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008. Het Hof heeft geoordeeld dat dat de door belanghebbende verrichte activiteiten niet voor minstens 50% het algemeen belang dienen, zodat belanghebbende terecht de ANBI-status is ontzegd. De beschikking kan volgens het Hof echter niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken tot 1 januari 2008, nu de Inspecteur met de brief en de beschikking tweemaal een weloverwogen standpunt heeft ingenomen met inachtneming van alle relevante gegevens over de feitelijke activiteiten van belanghebbende en belanghebbende (dus) aan deze documenten vertrouwen heeft kunnen ontlenen. Voorts oordeelt het Hof dat uit de vaststaande feiten niet blijkt dat belanghebbende te kwader trouw de ANBI-aanvraag heeft ingediend. Het Hof stelt de ingangsdatum van de intrekkingsbeschikking vast op 1 januari 2010. Principaal beroep in cassatie. De Staatssecretaris betoogt in cassatie dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aan (i) de brief en (ii) de beschikking gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend, nu op het moment van afgifte van deze documenten nog geen toetsing van de feitelijke werkzaamheden kon plaatsvinden. Voorts betoogt de Staatssecretaris (iii) dat het Hof ten onrechte de eis van kwade trouw heeft gesteld ter zake van de terugwerkende kracht van de beschikking. Volgens A-G Niessen is, nu door het Hof is vastgesteld dat niet aan de wettelijke ANBI-vereisten is voldaan, de ANBI-status terecht ingetrokken. Deze intrekking kon volgens de A-G plaatsvinden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008, nu de ANBI-beschikking is gebaseerd op onjuiste door de belanghebbende verstrekte gegevens. Het Hof heeft immers vastgesteld dat belanghebbende alle op de ANBI-aanvraag vermelde vragen, waaronder de vraag of de werkzaamheden van belanghebbende voor minstens 50% het algemeen belang dienen, bevestigend heeft beantwoord. Op deze grond heeft belanghebbende geen vertrouwen aan de ANBI-beschikking kunnen ontlenen. Dit strookt volgens de A-G met de ratio van de faciliteit, dat de instelling de aan de ANBI-status gekoppelde vrijstellingen alleen dan toekomen wanneer haar werkzaamheden aan de door in de wet gestelde materiële eisen voldoen. Kunnen deze werkzaamheden pas worden getoetst op een moment later dan waarop de beschikking wordt gegeven, dan komt het de A-G voor dat, indien de omstandigheden daartoe nopen, het redelijk is dat de beschikking in dat geval met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Ter zake van middelonderdeel (iii) merkt de A-G op dat, voor het geval het Hof in zijn overweging de eis van kwade trouw stelt, voor een (geslaagd) beroep op het vertrouwensbeginsel het niet ter zake doet of voor de beschikking van belang zijnde gegevens met opzet niet c.q. onjuist zijn verstrekt. Ook op dit punt is het gelijk aan de Staatssecretaris. Incidenteel beroep in cassatie. Belanghebbende betoogt in zijn (incidentele) beroep in cassatie dat (i) het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende niet voor minstens 50 procent het algemeen belang dient, (ii) intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht alleen kan geschieden indien sprake is van kwade trouw en (iii) intrekking van de beschikking met terugwerkende kracht afstuit op het gelijkheidsbeginsel. Volgens de A-G kan het eerste middel niet slagen, nu deze oordelen van het Hof feitelijk van aard zijn en de waardering van bewijsmiddelen aan het Hof is voorbehouden. De A-G acht ’s Hofs oordeel op dit punt niet onbegrijpelijk. Ook het tweede middel van belanghebbende kan, op hiervoor genoemde gronden, niet slagen. Ter zake van het derde middel merkt de A-G op dat het Hof deze stelling van belanghebbende onbesproken heeft gelaten, nu het Hof belanghebbende reeds op andere gronden in het gelijk heeft gesteld. Om deze klacht (alsnog) te beoordelen dient volgens de A-G verwijzing plaats te vinden. De conclusie strekt ertoe dat zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dienen te worden verklaard, maar de zaak dient voor nader feitelijk onderzoek te worden verwezen naar een ander gerechtshof.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken