Hof Den Haag 13 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:552
Belastingheffing van werknemer van het Europees Octrooibureau (EOB). Belanghebbende is in 1997 vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland gekomen om een dienstbetrekking bij het EOB te aanvaarden. Omdat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, had hij toen ingevolge de Zetelovereenkomst geen recht op vrijstelling van zijn box 3-inkomen. In 2002 heeft belanghebbende de Ierse nationaliteit aangenomen en daarmee zijn Nederlandse nationaliteit verloren. Hem is in verband daarmee door het Ministerie van Buitenlandse Zaken de DV-status (duurzaam verblijf) toegekend, op grond waarvan hij evenmin in aanmerking kwam voor de vrijstelling. Het Hof oordeelt dat belanghebbende in wezen uitsluitend op basis van zijn Nederlandse nationaliteit de vrijstelling is onthouden. De vraag of het in de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid tussen EOB-werknemers met en zonder de Nederlandse nationaliteit in strijd is met het verbod van discriminatie van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR beantwoordt het Hof, onder verwijzing naar het arrest HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0387, BNB 2011/251, en de onder die verdragen aan de fiscale wetgever/verdragsluiter toekomende ruime beoordelingsvrijheid, ontkennend. Het Hof oordeelt dat belanghebbende een beroep toekomt op art. 45 VWEU en dat sprake is van een beperking van het vrije werknemersverkeer (omgekeerde discriminatie naar nationaliteit). De doelstellingen die worden nagestreefd met de privileges voor diplomatiek personeel in het Verdrag van Wenen - waarbij in de Zetelovereenkomst conform kabinetsbeleid uit 2005 voor internationale organisaties is aangesloten - en die het daarin gemaakte onderscheid naar nationaliteit kunnen verklaren, bieden volgens het Hof geen toereikende verklaring voor de daarvan afgeleide beperking van de door Nederland toegekende fiscale privileges in de Zetelovereenkomst. Die beperking wordt evenmin gerechtvaardigd door de achtergrond van het toekennen van fiscale privileges aan werknemers van internationale organisaties in het algemeen en werknemers van het EOB in het bijzonder. Het Hof acht ook overigens geen rechtvaardigingsgrond aanwezig voor het in de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid. Belanghebbende heeft recht op vrijstelling van het inkomen uit sparen en beleggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Niessen 9 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1129
- HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22
- Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7499
- HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0387
- HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3159
- HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3187
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1979:31
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1986:2
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1994:62
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:31
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1995:463
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1998:221
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1999:438
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2002:750
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:131
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:251
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:566
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:131
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:822