Conclusie A-G IJzerman 31 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1103

Belanghebbende heeft met dagtekening 29 juni 2012 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een ingevoerde, gebruikte personenauto. Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende de handelswaarde van de auto berekend aan de hand van de koerslijstwaarde van Autotelex Pro met dagtekening 5 juli 2012. De Inspecteur heeft aan belanghebbende, wegens hogere uitstoot van de auto, een naheffingsaanslag opgelegd. Die hogere uitstoot is niet in geschil. Echter, belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt, stellende dat de registratie, het belastbare feit, heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2012 en niet op 29 juni 2012. Ook heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst van XRRAY met dagtekening 4 augustus 2012 overgelegd, waaruit een lagere (latere) waarde volgt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak van 31 juli 2013 ongegrond verklaard. Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep gegrond verklaard en heeft de naheffingsaanslag verminderd. Het Hof heeft geoordeeld dat tussen partijen is komen vast te staan dat de registratiedatum van de auto is 4 augustus 2012. Deze latere registratiedatum geeft aanleiding tot extra leeftijdskorting en verdere vermindering naar het laagste tussenliggende tarief en maatstaf van heffing. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat de vermindering van de naheffingsaanslag voor zover zij grond vindt in de toepassing van het gunstigere tussenliggende tarief op grond van artikel 10b van de Wet BPM, ertoe leidt dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente op de voet van artikel 28c van de IW. Deze rentevergoeding is in de wet opgenomen nadat was gebleken uit rechtspraak van het HvJ dat wanneer een lidstaat in strijd met het Europese Unierecht belasting heeft geheven, de lidstaat een passende rentevergoeding moet verlenen over het verlies als gevolg van deze, naar later blijkt, onverschuldigde betaling. Het Hof heeft echter geen rentevergoeding toegekend terzake van het deel van de vermindering van BPM dat erop ziet dat het belastbare feit, de registratie van de auto, blijkt te hebben plaatsgevonden op 4 augustus 2012, terwijl de aangegeven belasting door belanghebbende was berekend op grond van de handelswaarde van de auto op 5 juli 2012. Dat deel van de vermindering rekent het Hof toe aan het eigen handelen van belanghebbende, die ervoor heeft gekozen om ruim voor de registratiedatum aangifte te doen. Dit deel van de vermindering van de naheffingsaanslag heeft naar het oordeel van het Hof niets te maken met een verkeerde toepassing van het Unierecht, maar met de eigen handelwijze van belanghebbende, als gevolg waarvan de belasting was berekend naar een waarde op een verkeerd tijdstip. Met het eerste middel bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat het de inspecteur is die de rente aan belanghebbende diende te vergoeden. Belanghebbende stelt dat er voor de Inspecteur geen rol is weggelegd in de vergoeding van de invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW. De Inspecteur kan slechts een teruggaafbeschikking geven op grond waarvan de Ontvanger, na een verzoek van een belanghebbende binnen zes weken, gehouden is de in strijd met het Unierecht geheven belasting en de daarop rustende invorderingsrente terug te geven. Het komt de A-G voor dat tijdens bezwaar tegen de strijdigheid van desbetreffende belasting met het Unierecht een verzoek aan de inspecteur kan worden gedaan. Mutatis mutandis kan een belastingschuldige tijdens beroep of hoger beroep een verzoek om de vergoeding van invorderingsrente wegens strijdigheid van de desbetreffende belasting met het Unierecht indienen. Uit de taakverdeling tussen inspecteur en ontvanger vloeit naar volgens de A-G voort dat de inspecteur bij de ontvanger melding maakt van een verzoek om vergoeding van de invorderingsrente op basis van artikel 28c van de IW, zodat de ontvanger op de teruggaafbeschikking ook zijn voor bezwaar vatbare beschikking van de invorderingsrente kan vermelden. De andersluidende opvatting van belanghebbende acht de A-G onjuist. Voor het meerdere aan belastingrente en invorderingsrente waarop een belanghebbende op grond van het Unierecht recht heeft, dient hij een verzoek in te dienen. Volgens de A-G maakt de wettelijke verplichting om zo een verzoek te doen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk. Het eerste middel faalt. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelswaarde van de auto op het tijdstip van registratie lager was dan de door inspecteur verdedigde waarde na correctie van een maand extra afschrijving. De A-G meent echter dat de desbetreffende door het Hof gemaakte afwegingen niet onbegrijpelijk te achten zijn, zodat het tweede middel daarop afstuit. Het derde middel van belanghebbende strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een gedeelte van de vermindering van de naheffingsaanslag niet voorkomt uit strijd met het Unierecht, maar uit de eigen handelwijze van belanghebbende, zodat over dat gedeelte geen rente op grond van artikel 28c van de IW behoeft te worden vergoed. De A-G acht dat oordeel en de daaraan door het Hof verbonden gevolgtrekking echter juist, zodat ook het derde middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken