Conclusie A-G IJzerman 28 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:339

Deze procedure ziet op de bepaling van de grondslagen van de berekening van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm, tekst 2011) voor een uit Duitsland ingevoerde, gebruikte kampeerauto. Het gaat uiteindelijk om de bepaling van het te hanteren afschrijvingspercentage. In dat kader moet worden beoordeeld of voor de afschrijving moet worden aangesloten bij de waardeontwikkeling van een gebruikte kampeerauto of een gebruikte bestelauto, te rekenen vanaf de eerste ingebruikname in Duitsland. Belanghebbende heeft ter zake van de registratie in Nederland van een gebruikte kampeerauto, van het merk Ford Transit, op 11 mei 2011 aangifte gedaan. De kampeerauto is afkomstig uit Duitsland, alwaar de datum van eerste toelating 7 september 2010 was. Belanghebbende heeft de verschuldigde Bpm in zijn aangifte berekend met als uitgangspunt, ook voor de afschrijving wegens tijdsverloop, de waarde van een bestelauto Ford Transit 350L, zonder de recreatieve voorzieningen van een kampeerauto. De nieuwwaarde van zo een bestelauto bedraagt € 28.350 en de bruto Bpm € 10.960. Uitgaande van die nieuwwaarde en een resterende handelswaarde per 11 mei 2011 van € 17.896, berekent belanghebbende de afschrijving op 36,87%. Zijn aangifte resulteert in een te betalen bedrag van € 7.853. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd op de grond dat de kampeerauto niet vergelijkbaar is met een gebruikte gesloten bestelauto Ford Transit 350L, zodat bij de berekening van de verschuldigde Bpm niet mag worden uitgegaan van de waarden nieuw en gebruikt van zo een bestelauto. Op basis van tabeltoepassing rekent de Inspecteur met een afschrijving van 25%. De door belanghebbende verschuldigde Bpm wordt aldus 75% van € 10.960 is € 8.220. Daarom heeft de Inspecteur voor het verschil een naheffingsaanslag opgelegd van € 367. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Uitgangspunt voor de heffing van Bpm bij gebruikte auto’s die in Nederland worden ingevoerd vanuit een andere EU-lidstaat is volgens de Rechtbank dat niet meer Bpm geheven mag worden dan de Bpm die nog drukt op vergelijkbare gebruikte voertuigen die al in Nederland zijn geregistreerd. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn vergelijkbare gebruikte voertuigen in dit geval geen gebruikte bestelauto’s, maar gebruikte kampeerauto’s. Er is immers in het algemeen een wezenlijk verschil tussen beide soorten auto’s. Dat geldt ook voor de (veel) grotere intensiteit van het gebruik bij bestelauto’s en de hierdoor ontstane snellere waardevermindering en dus afschrijving. Geen van beide partijen heeft gegevens overgelegd over de tweedehands inkoopwaarde van een kampeerauto als deze. Aangezien de Rechtbank de door de Inspecteur gehanteerde afschrijving van 25% over een periode van nog geen jaar zeker niet te laag acht, heeft de Rechtbank zich daarbij aangesloten. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Aldus moet voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage bij een gebruikte kampeerauto de historische nieuwprijs van een kampeerauto worden afgezet tegen de waarde van de gebruikte kampeerauto op het moment van registratie, en niet tegen de waarde van de vergelijkbare gesloten bestelauto. Dit betekent dat volgens het Hof voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage wél rekening moet worden gehouden met de uitrusting tot kampeerauto. Het Hof heeft overwogen dat slechts voor de berekening van de bruto‑bpm bij nieuwe kampeerauto’s bij besluit een goedkeuring is gegeven, in die zin dat kan worden uitgegaan van de catalogusprijs van de met de kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto, zonder de waarde van de aan de recreatieve functie toe te rekenen delen van de inrichting. De aldus berekende bruto-bpm geldt, naar het oordeel van het Hof, wel als uitgangspunt voor de berekening van de rest-bpm in vergelijkbare gebruikte voertuigen die al in Nederland zijn geregistreerd. Belanghebbende komt tegen de Hofuitspraak thans op in cassatie onder aanvoering van vier middelen welke, naar de A-G meent, alle falen. Nu zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft nagelaten stukken over te leggen waaruit de inkoopwaarde van de kampeerauto, hiervan uitgaande en als zodanig, op het moment van registratie blijkt, heeft het Hof, naar de A-G meent, de waarde terecht zelfstandig, in goede justitie, bepaald. De A-G meent dat enkel ter bepaling van de Bpm op de voet van artikel 9, lid 2, onderdeel a, van de Wet Bpm 1992, bij wege van goedkeuring, mag worden uitgegaan van de catalogusprijs van een met de desbetreffende kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Dat geldt dus zowel voor een nieuw voertuig als voor een ingevoerde gebruikte kampeerauto. De A-G ziet hier geen verschillende heffingsmodaliteiten. Naar het oordeel van het Hof strekt de goedkeuring in het Besluit zich niet uit tot de verminderingsregeling (en dus de bijbehorende afschrijving). Ervan uitgaande dat een op de hardheidsclausule gebaseerde goedkeuring om, in afwijking van de wet, tegemoet te komen aan bepaalde onbillijkheden, restrictief moet worden uitgelegd, als beperkt tot het geval waarvoor tegemoet gekomen wordt, lijkt ’s Hofs restrictieve uitleg de A-G juist. En overigens ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het HvJ waarin de werkelijke waardevermindering van voertuigen maatgevend is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken