Conclusie A-G Niessen 17 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1732
Belanghebbende is inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 Wet LB 1964 ten aanzien van de agenten van het politiekorps [Z]. Agenten die in de uitoefening van hun dienstbetrekking door schuld van een derde schade lijden, voegen zich in voorkomende gevallen als beledigde partij in de strafzaak tegen deze derde. In het Besluit algemene rechtspositie politie is geregeld dat een agent die op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak een vordering wegens immateriële schade heeft verkregen, deze vordering aan belanghebbende kan cederen waartegenover belanghebbende de nominale waarde van de vordering aan de agent betaalt. Omdat de derden niet steeds in staat zijn aan de vorderingen te voldoen, zijn vorderingen als deze minder waard dan de nominale waarde. In deze procedure staat vast dat de waarde van deze vorderingen gelijk is aan 28% van de nominale waarde ervan. In geschil is of het in geding zijnde voordeel is aan te merken als loon als bedoeld in artikel 10, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964; tekst voor het jaar 2005) en, zo ja, of sprake is van een vrije vergoeding als bedoeld in artikel 15, sub b, Wet LB 1964 omdat het voordeel naar maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren. Het Hof heeft geoordeeld dat de overname van de vordering door belanghebbende tegen betaling van de nominale waarde een op geld te waarderen voordeel voor de agent vertegenwoordigt, bestaande uit het liquiditeitsvoordeel, beperking van het verhaalsrisico en besparing van invorderingskosten. Voorts oordeelt het Hof dat het voordeel dat de agent hiermee geniet door hem uit zijn dienstbetrekking tot belanghebbende wordt genoten. Het Hof heeft het evenwel, anders dan de Rechtbank, aannemelijk geacht dat het door de agenten genoten voordeel naar maatschappelijke opvattingen als beloningsvoordeel wordt ervaren. Evenals het Hof komt A-G Niessen tot de conclusie dat het onderhavige voordeel behoort tot het loon in de zin van artikel 10, lid 1, Wet LB 1964. Dat belanghebbende niet het doel had om de agenten te bevoordelen voor de door hen verrichte arbeid, is gezien het arrest HR 8 februari 2008, nr. 43514, niet zonder meer beslissend voor het antwoord op de vraag of sprake is van loon. Het feit dat het voordeel voor de agenten voortvloeit uit een rechtspositionele regeling maakt dat dit voordeel niet alleen zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten moet worden aangemerkt, maar dat het voordeel bovendien onverbrekelijk is verbonden met de hoedanigheid van werknemer, zodat sprake is van loon. Anders dan het Hof meent de A-G echter dat het onderhavige voordeel naar maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel is aan te merken. Het uitgangspunt is volgens de A-G dat een rechter heeft vastgesteld dat een agent immateriële schade heeft geleden, en welk bedrag hem ter vergoeding daarvan toekomt. Uit de in de conclusie opgenomen documentatie komt naar voren dat in de Nederlandse samenleving geweld tegen politieagenten en andere hulpverleners in het algemeen als onaanvaardbaar wordt beoordeeld. De rechters die schadevergoeding toekennen, doen dit met kennis van deze maatschappelijke opvattingen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de betreffende rechterlijke oordelen in het algemeen niet op een breed draagvlak in de samenleving rusten. De regeling in het Besluit algemene rechtspositie politie bewerkstelligt dat agenten het door de rechter als schadevergoeding redelijk geachte bedrag ontvangen; zij worden aldus beoordeeld niet ‘beter’ van de regeling. De omstandigheid dat andere personen dan de werknemers van belanghebbende de hun toegekende schadevergoeding in feite niet of niet volledig kunnen innen, brengt met zich dat voor de politieagenten die deze wel tot het nominale bedrag ontvangen, sprake is van een voordeel, maar niet dat de aard van het genoten bedrag wijzigt van schadevergoeding in beloningsvoordeel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en de uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5460
- Rb. Leeuwarden 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BR6867
- HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5996
- Rb. 's-Gravenhage 17 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BH3147
- HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3896
- HR 3 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH9099
- HR 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5026
- HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW9439