Rb. 's-Gravenhage 17 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BH3147

Beroep ongegrond. Vraag of door eiser aan bij inval gewond geraakte leden van een arrestatieteam (hierna: de AT-ers) betaalde schadevergoeding tot het loon behoort. De betalingen zijn ingegeven door eisers wens om te voorkomen dat de AT-ers bij de invordering worden geconfronteerd met het mogelijk financieel onvermogen van de daders en meer in het algemeen eisers wens om (verdere) confrontatie tussen daders en slachtoffers te vermijden. Eiser heeft voorts aangegeven dat het zijn bedoeling is de betalingen te zijner tijd te verhalen op de daders. Ter zitting is voorts gebleken dat eiser in het niet ondenkbeeldige geval dat een niet-werknemer bij een politie-inval schade zou lijden door toedoen van de verdachte niet zou overgaan tot vergoeding van de schade aan het slachtoffer en/of overname van de vordering. Namens eiser is aangegeven dat eiser in dat geval zou volstaan met het slachtoffer te wijzen op de mogelijkheid van voeging in de strafprocedure. Mede gelet op deze feiten en omstandigheden vinden de betalingen door eiser zo zeer hun grond in de dienstbetrekking dat deze als daaruit genoten voordeel moeten worden aangemerkt. Geen sprake van een niet tot het loon behorende vergoeding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 15, aanhef en onder b, Wet LB 1964. Eisers meer subsidiaire stelling dat hij slechts een kassiersfunctie heeft vervuld stuit af op het oordeel dat de betalingen door eiser zo zeer hun grond in de dienstbetrekking vinden dat deze als daaruit genoten voordeel moeten worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen