Conclusie A-G Niessen 1 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1239

Het geschil spitst zich toe op de fiscale kwalificatie van het met verplichte verkoop van certificaten van aandelen in verband met ontslag geleden verlies en een ter zake daarvan toegekende schadevergoeding, beide groot € 300.000, alsmede de gevolgen daarvan voor de ingehouden loonbelasting. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende bij de verplichte verkoop van de certificaten een verlies heeft geleden. Dit verlies vormt negatief loon. De betaling van € 300.000 is door de werkgever gedaan om belanghebbende hiervoor te compenseren. Zij kan volgens de Rechtbank niet los worden gezien van dat verlies. Belanghebbende heeft aldus per saldo geen voordeel genoten, zodat geen sprake is van loon, aldus de Rechtbank. Naar ’s Hofs oordeel houdt de aan belanghebbende betaalde schadevergoeding van € 300.000 oorzakelijk verband met het (kennelijk onredelijk) ontslag van belanghebbende. Zij is uit hoofde van (de beëindiging van) de dienstbetrekking genoten en moet als loon worden aangemerkt. Volgens het Hof biedt artikel 13a van de Wet LB 1964 geen grond de schadevergoeding in een eerder jaar dan 2010 in aanmerking te nemen, dan wel om in 2010 rekening te houden met het negatieve loon uit 2007 of 2008. Naar de mening van de A-G heeft het Hof uit de vaststaande feiten terecht afgeleid dat de schadevergoeding behoort tot het loon. Nu de schadevergoeding ziet op schade geleden door een werkgeversregeling in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, is volgens de A G naar maatschappelijke opvattingen sprake van een beloningsvoordeel. Volgens de A-G vormt het vermogensverlies gelet op het arrest HR BNB 2016/156 negatief loon. Zijns inziens moet voor het genietingstijdstip worden aangesloten bij de regeling artikel 3.147 Wet IB 2001, dat in zijn optiek in feite een ‘kasstelsel’ inhoudt. De A-G leest in de klachten van belanghebbende tevens een beroep op redelijke wetstoepassing. Hij wijst erop dat belanghebbende het geleden nadeel nimmer als negatief loon heeft aangegeven. Dat is inmiddels ook niet meer (ambtshalve) mogelijk Een redelijke wetstoepassing vergt volgens de A-G evenwel dat heffing en aftrek in een geval als het onderhavige ‘glad’ moeten lopen. Volgens hem bestaat er geen redelijke grond om belanghebbende belasting te laten betalen, terwijl hij ter zake de relevante gebeurtenissen, in samenhang bezien, per saldo geen voordeel heeft genoten. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken