HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1555

Diefstal van fiets, art. 310 Sr. 1. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van belastende getuigen. Welke betekenis komt toe aan omstandigheid dat pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om getuigen te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium mogelijkheid heeft gehad zo’n verzoek te doen? 2. Volgens cassatieakten is beroep niet gericht tegen vrijspraak van diefstal van andere fiets en niet-ontvankelijkverklaring van vordering benadeelde partij. Toelaatbare beperkingen cassatieberoep? Ad 1. Hof heeft afwijzing van voorwaardelijk verzoek tot horen getuigen erop gebaseerd dat verdediging niet toereikend heeft gemotiveerd dat zij bij gelegenheid van (in overleg met haar geplande) inhoudelijke behandeling van zaak terugkomt op eerder door haar kenbaar gemaakt standpunt dat zij geen onderzoekswensen heeft. Dat oordeel is, mede tegen achtergrond van vooropstelling in HR:2025:1519, niet begrijpelijk. Stukken houden immers niets in waaruit kan worden afgeleid dat a) verdediging bij eerdere gelegenheid voorafgaand aan onderzoek ttz. in h.b. van 15-5-2023 desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht of b) aan verdediging in eerder stadium van fase in h.b. uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had waarbij op dat moment duidelijk erop is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen zou worden opgevat als het niet hebben van die wensen, en op die vraag door verdediging niet is gereageerd. Daarbij komt dat dagvaarding voor de tz. in h.b. van 17-1-2023 inhoudt dat op die tz. geen onderzoekswensen konden worden kenbaar gemaakt. Verder is van belang dat hof niet kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken of beslissing om tlgd. mede o.g.v. verklaringen van niet-ondervraagde getuigen bewezen te verklaren, in overeenstemming is met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces en daaraan verbonden notie van “the overall fairness of the trial” (vgl. HR:2021:576). Ad 2. Aan deze beperkingen moet worden voorbijgegaan om reden zoals uiteengezet in HR:2013:CA1610. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken