HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519

Vernieling van trams door aanbrengen van graffiti tijdens demonstratie, art. 350.1 Sr. 1. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van belastende getuigen (trambestuurder en verbalisant). Welke betekenis komt toe aan omstandigheid dat pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om getuigen te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium mogelijkheid heeft gehad om zo’n verzoek te doen? 2. Verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 EVRM. Ad 1. HR gaat in op rechtspraak m.b.t. ondervragingsrecht en mogelijkheden om verzoek te doen tot horen getuigen. HR overweegt dat in geval (a) OM of verdediging bij eerdere gelegenheid desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht of (b) aan OM en verdediging in eerder stadium van instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen hebben waarbij op dat moment erop is gewezen dat niet-opgeven van dergelijke wensen wordt opgevat als niet hebben van die wensen, en op die vraag door OM of verdediging niet is gereageerd, van OM en verdediging mag worden verlangd dat wordt toegelicht waarom zij terugkomt van eerder ingenomen standpunt en alsnog vordering of verzoek tot nader onderzoek doet. Als gelegenheid is geboden voor zo’n toelichting, kan rechter vordering of verzoek afwijzen op grond dat toelichting uitblijft. Als procespartij wel toelichting geeft, moet rechter beoordelen of opgegeven redenen van voldoende gewicht zijn. Als dat niet het geval is, kan rechter vordering of verzoek eveneens afwijzen. Voor beoordeling is van belang of na moment waarop één van bedoelde gevallen zich heeft voorgedaan, sprake is van relevante nieuwe ontwikkelingen m.b.t. (verloop van procedure en mogelijke uitkomst van) strafzaak. Het ligt op weg van procespartij om nieuwe ontwikkelingen aan te duiden. Bij beoordeling daarvan door rechter speelt o.m. een rol of procespartij bekend kon zijn met de in dit arrest genoemde consequenties van procesopstelling. Verder kan bij beoordeling van belang zijn of verdachte op eerder moment was voorzien van rechtsbijstand. Rechter zal voorafgaand aan einduitspraak moeten nagaan of procedure voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces en moet daarbij betrekken (i) reden dat ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend m.b.t. getuige van wie verklaring voor bewijs wordt gebruikt, waarbij ook een rol kan spelen door verdediging opgegeven reden waarom op eerder moment geen verzoek tot horen is gedaan, (ii) gewicht van verklaring van getuige, binnen geheel van resultaten van strafvorderlijk onderzoek, voor bewezenverklaring en (iii) bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, voor ontbreken van ondervragingsgelegenheid. Hof heeft verzoek afgewezen en daartoe overwogen dat verdediging op “rolzitting” “actief kenbaar” heeft gemaakt dat zij geen onderzoekswensen had en van verdediging moest worden verlangd dat wijziging van standpunt “toereikend wordt gemotiveerd”. Mededeling van raadsvrouw levert volgens hof niet zo’n toereikende motivering op. Vervolgens heeft hof eerlijkheid van proces als geheel beoordeeld. Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat bewijsvoering voldoende steunbewijs biedt voor verklaring van trambestuurder en p-v van verbalisant en dat in die bewijsvoering voldoende compenserende waarborgen besloten liggen die compensatie bieden voor ontbreken van ondervragingsgelegenheid, doordat zij steun geven aan betrouwbaarheid van verklaring van trambestuurder en p-v van verbalisant. ’s Hofs oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. N.a.v. CAG merkt HR op dat het niet nodig is om EHRM om “advisory opinion” te vragen. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126 m.b.t. optreden van autoriteiten i.v.m. strafbaar feit dat tijdens demonstratie is begaan. Bij beantwoording van vraag of beperking van recht op vrijheid van meningsuiting of recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is, kan o.m. locatie van demonstratie, in verband waarvan strafbaar feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan omstandigheid dat “private property” in geding is (vgl. EHRM nr. 44306/98 (Appleby t. Verenigd Koninkrijk)). Als strafbaar feit leidt tot wezenlijke aantasting van genot van “private property” geldt niet z.m. “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als vreedzame, tegen overheidsbeleid gerichte, demonstratie in publieke plaats (zoals gebouw dat bij overheid in gebruik is of gebouw dat anderszins een publieke functie heeft) tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM 37553/05 (Kudrevicius en anderen t. Litouwen)). ’s Hofs oordeel dat verdachte laakbaar gedrag vertoonde waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat daaruit voortvloeiende beperking in uitoefening van recht op vrije meningsuiting en recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is mede van belang dat hof de verdachte heeft veroordeeld tot geheel voorwaardelijke geldboete van € 200. Volgt verwerping. CAG (strekking t.a.v. getuigenverzoek): schorsing van behandeling van cassatieberoep teneinde aan EHRM vragen te stellen over uitleg van art. 6 EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken