HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:439

Woningoverval op bejaarde man. Medeplegen poging doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen opzettelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht medeplegen poging doodslag. Had verdachte opzet op dood slachtoffer? 2. Vordering benadeelde partij. Heeft inmiddels overleden b.p. zich in hoger beroep rechtsgeldig kunnen voegen via neef en erfgenaam aan wie hij voor zijn overlijden wens en voornemen daartoe heeft geuit (art. 51f.1 en 3, art. 51g.1 en 3 en 421 Sv) ? Belang bij cassatie? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474 m.b.t. medeplegen. Hof heeft o.m vastgesteld dat verdachte en medeverdachte het 79-jarige, in zijn woning slapende slachtoffer aan zijn polsen en enkels hebben vastgebonden. Slachtoffer werd daarop wakker en zag dat verdachte en medeverdachte elk aan een zijde van zijn bed stonden, waarbij één van hen een mes in zijn hand had. Zowel verdachte als medeverdachte heeft slachtoffer vervolgens op hoofd geslagen, waarna één van hen slachtoffer ook meermalen met mes in zijn hoofd, hals en handen heeft gestoken. Daarna hebben verdachte en medeverdachte slachtoffer vastgebonden achtergelaten. Het op deze vaststellingen berustende oordeel hof dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard, zodat hij voorwaardelijk opzet op dood van slachtoffer heeft gehad, is toereikend gemotiveerd. HR neemt daarbij in aanmerking dat uit vaststellingen van hof voortvloeit dat verdachte heeft deelgenomen aan het tegen slachtoffer uitgeoefende geweld en dat mes voorafgaand aan het toebrengen van de messteken ook zichtbaar moet zijn geweest voor aanwezige (mede)verdachte die niet zelf messteken heeft toegebracht. In dit verband is verder van belang dat hof (niet onbegrijpelijk) in zijn oordeel heeft betrokken dat niet is gebleken dat (mede)verdachte zich heeft teruggetrokken op moment dat messteken werden toegebracht, en dat verdachte en medeverdachte geen verklaringen hebben afgelegd die een aanknopingspunt bieden voor een andere uitleg van de door hof vastgestelde gezamenlijke gedragingen van verdachte en medeverdachte. Ad 2. O.g.v. art. 421.3 Sv kan, v.zv. in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, b.p. zich in h.b. (opnieuw) voegen binnen grenzen van haar eerste vordering. Uit art. 51g.1 en 3 Sv volgt dat voeging geschiedt door schriftelijke opgave van vordering aan OvJ of door mondelinge opgave aan rechter ttz. Uit hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen volgt verder dat erfgenamen van b.p. a.b.i. art. 51f.2 Sv zich t.z.v. daar genoemde vorderingen uitsluitend in strafproces kunnen voegen in het (zich hier niet voordoende) geval waarin benadeelde t.g.v. strafbare feit is overleden. Oordeel hof dat inmiddels overleden b.p. zich rechtsgeldig in h.b. heeft kunnen voegen omdat hij vóór zijn overlijden tegenover zijn neef en erfgenaam wens en voornemen daartoe heeft geuit maar deze erfgenaam van b.p. die wens tot voeging in h.b. pas na overlijden van b.p. naar voren heeft kunnen brengen, geeft tegen die achtergrond blijk van onjuiste rechtsopvatting. Geen belang bij cassatie nu niet wordt geklaagd over schadevergoedingsmaatregel die voor dezelfde feiten en voor gelijk bedrag is opgelegd als toegewezen vordering b.p. Vernietiging door HR van beslissing hof tot toewijzing vordering b.p. voor wat betreft gevorderde schade laat verplichting voor verdachte tot betaling van voor dezelfde feiten en voor gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel in stand, nu klacht zich niet keert tegen materiële verschuldigdheid van schade (vgl. HR:2021:1932). Volgt verwerping. Samenhang met 22/01278.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken