HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:468

Woningoverval op bejaarde man. Medeplegen poging doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr). Specialiteitsbeginsel bij overlevering. OM niet-ontvankelijk in strafvervolging t.a.v. wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu overlevering is verzocht voor vervolging van verdachte voor poging tot doodslag en poging tot diefstal met geweld? O.g.v. art. 48 Overleveringswet jo. art. 27.2 Kaderbesluit kan aan Nederland overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, tenzij een van in art. 27.1 en 27.3 Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet. Als verweer wordt gevoerd dat verdachte wordt vervolgd voor een of meer ‘andere feiten’, moet rechter vaststellen voor welk feit of welke feiten Europees aanhoudingsbevel door Nederland als uitvaardigende lidstaat is gegeven, en daarnaast of uitvoerende rechterlijke autoriteit aan EAB uitvoering heeft gegeven. Als bij stukken EAB of beslissing van uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt, beveelt rechter voeging daarvan. Vervolgens onderzoekt rechter of verdachte wordt vervolgd voor ander feit dan feit dat of feiten die reden voor overlevering zijn geweest. Uit uitspraak HvJ EU (ECLI:EU:C:2008:669) volgt o.m. dat rechter daartoe omschrijving van strafbaar feit in EAB vergelijkt met omschrijving in tll. Daarbij moet hij nagaan of (i) bestanddelen van strafbaar feit waarvoor wordt vervolgd dezelfde zijn als die waarvoor persoon is overgeleverd en of (ii) voldoende overeenstemming bestaat tussen omschrijving van feit in EAB en omschrijving van feit in tll. Wat betreft onder (ii) genoemde voorwaarde is van belang dat verschillen in omschrijvingen in tijd en plaats niet z.m. betekenen dat sprake is van ander feit, tenzij door die verschillen wijziging in aard van strafbaar feit optreedt of deze ertoe leiden dat weigeringsgrond als bedoeld in art. 3 of 4 Kaderbesluit van toepassing wordt. Als rechter o.g.v. deze vergelijking tot conclusie komt dat sprake is van ‘ander feit’ kan hij (ambtshalve of op vordering van OM) onderzoek ttz. voor bepaalde of onbepaalde tijd aanhouden om OM gelegenheid te bieden verzoek tot toestemming bij uitvoerende rechterlijke autoriteit te doen indienen. In geval dat (na eventuele aanhouding ter verkrijging van aanvullende toestemming) toestemming van uitvoerende rechterlijke autoriteit ontbreekt voor vervolging en berechting van andere vóór overlevering begane feiten dan feiten die reden tot overlevering zijn geweest, verklaart rechter OM n-o in vervolging. In dat geval kan verdachte daarna opnieuw worden vervolgd voor genoemde andere feiten als OM daarvoor alsnog toestemming heeft verkregen (vgl. HR:2022:982). Voorgaande brengt mee dat rechter bij beslissing op verweer dat verdachte wordt vervolgd voor een of meer ‘andere feiten’ zowel EAB als beslissing van uitvoerende rechterlijke autoriteit moet betrekken. Nu uit ‘s hofs overwegingen niet blijkt dat hof acht heeft geslagen op beslissing van Engelse rechter en beslissing zich ook niet bij stukken bevindt, is ’s hofs oordeel dat OM ontvankelijk is in vervolging ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 22/01112.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken