HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1562
OM-cassatie en cassatie verdachte. Economische zaak. Ontslag van alle rechtsvervolging t.z.v. opzettelijk niet voldoen aan vordering ex art. 19 WED. 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. OM-cassatie. Nemo tenetur-beginsel. Is aan verdachte gerichte vordering ex art. 19.1 WED tot overleggen van gegevens in strijd met nemo tenetur-beginsel? Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen van EHRM in zaak De Legé tegen Nederland (nr. 58342/15). Hof heeft vastgesteld dat (i) politie verdachte heeft aangemerkt als verdachte van invoer van illegaal vuurwerk omdat minimaal één postpakket met illegaal vuurwerk voor verdachte op zijn adres was afgeleverd, (ii) postpakket afkomstig was van Poolse webshop voor professioneel, voor particulieren verboden vuurwerk, (iii) politie vervolgens verdachte via brief heeft ontboden voor verhoor en (iv) brief inhoudt: “Ik vorder u o.g.v. art. 19 WED alle gegevens, welke betrekking hebben op bestellen en ontvangen van vuurwerk, mee te nemen naar verhoor. Denk hierbij o.a. aan facturen, bestelbevestigingen, etc.”. Verder heeft hof geconstateerd dat gevorderde stukken niet door politie eigenmachtig konden worden verkregen, waaraan hof conclusie heeft verbonden dat verkrijging van stukken afhankelijk was van wil van verdachte. Daarnaast heeft hof overwogen dat niet kon worden uitgesloten dat informatie die uit verzochte stukken blijkt in strafzaak tegen verdachte zou kunnen worden gebruikt. V.zv. hof voor oordeel dat vordering tot verstrekken van stukken een schending van uit art. 6 EVRM voortvloeiende nemo tenetur-beginsel oplevert, mede beslissend heeft geacht dat gevorderde stukken niet door politie eigenmachtig konden worden verkregen en verkrijging van stukken daarmee afhankelijk van wil van verdachte was, heeft hof maatstaf aangelegd die niet in overeenstemming is met beoordelingskader van EHRM in zaak De Legé tegen Nederland. Uit dat beoordelingskader volgt immers dat, waar het gaat om verkrijgen van daarin genoemde “specific pre-existing documents”, voor toetsing aan art. 6 EVRM beslissend is of autoriteiten bekend zijn met bestaan van dergelijke stukken, maar niet of autoriteiten die stukken (ook) eigenmachtig hadden kunnen verkrijgen. Daarnaast volgt uit die uitspraak ook niet dat omstandigheid of autoriteiten stukken eigenmachtig konden verkrijgen, bepalend is voor beantwoording van vraag of dergelijke stukken moeten worden gezien als “materials” met “an existence” die “independent of [the] will” van verdachte is. Dit leidt echter niet tot cassatie. Daarbij neemt HR in aanmerking dat in vaststellingen hof besloten ligt dat betreffende vordering (tot meenemen van “alle” gegevens die betrekking hebben op bestellen en ontvangen van “vuurwerk”, waarbij “o.a.” kan worden gedacht aan facturen, bestelbevestigingen “etc.” terwijl verdachte er al van verdacht werd dat hij illegaal (professioneel) vuurwerk via internet had gekocht) situatie opleverde “where the authorities attempt to compel an individual to provide the evidence of offences he (...) has allegedly committed by forcing him (...) to supply documents which they believe must exist, although they are not certain of it (...). The latter situation the Court has described as 'fishing expeditions'.” (EHRM in zaak De Legé tegen Nederland). Dat brengt mee dat in gegeven omstandigheden vervolging verdachte voor handelen in strijd met de in belang van opsporing o.g.v. 19.1 WED gedane vordering, schending oplevert van het uit art. 6 EVRM voortvloeiende ”privilege against self-incrimination” (nemo tenetur-beginsel). Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl