HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1006

Medeplegen opzetheling, meermalen gepleegd (art. 416.1.a Sr) en medeplegen witwassen van criminele erfenis van vermoorde zoon van verdachte, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b en 420bis.1.a Sr). 1. Is verjaring van helingsfeit gestuit door uitbrengen van rechtshulpverzoek door OvJ? 2. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging dan wel bewijsuitsluiting op de grond dat sprake is van vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv door inbeslagneming van cd-rom onder toenmalige advocaat van verdachte. Ad 1. Daad van vervolging in de zin van artikel 72 Sr die verjaring stuit, betreft daad die erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van rechter te verkrijgen (vgl. HR:2010:BN1014). In geval van verandering van wetgeving m.b.t. verjaring geldt in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR:2010:BK1998). Dit uitgangspunt geldt ook voor wijziging van art. 72.1 Sr, welke bepaling niet meer eis stelt dat daad van vervolging de vervolgde bekend of hem betekend moet zijn, wil die daad verjaring stuiten (vgl. HR:2012:BW1361). Tlgd. helingsfeit is volgens tll. begaan omstreeks 1-2-2000 en is bij art. 416.1 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren is gesteld. Gelet hierop was in art. 70.3 (oud) Sr bepaalde verjaringstermijn nog niet verstreken t.t.v. inwerkingtreding van wijziging van art. 72.1 Sr op 1-1-2006, zodat deze wetgeving direct van toepassing is geworden. Hof heeft uitbrengen van rechtshulpverzoek aangemerkt als daad van vervolging die verjaring stuit. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij is, in het licht van wat hiervoor is overwogen, niet van belang of uitbrengen van rechtshulpverzoek de verdachte bekend was. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:CA0434, HR:2016:8 en HR:2016:1027 m.b.t. omvang van verschoningsrecht en vraag of in beslag genomen stuk ‘voorwerp van strafbaar feit uitmaakt’. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat gesprek op cd-rom tot begaan van strafbare feiten heeft gediend en dat die cd-rom daarom ook zonder toestemming bij verschoningsgerechtigde in beslag mocht worden genomen, ontoereikend gemotiveerd. ‘s Hofs vaststellingen dat “gesprek gaat over omvang, stand van zaken van traceren en beheren van geld” en dat “wordt besproken hoe ze geld dat in het buitenland op rekeningen staat in Nederland kunnen krijgen”, zijn daartoe niet voldoende. Daarbij neemt HR in aanmerking dat hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over bijvoorbeeld context waarbinnen dit gesprek plaatsvond of hoedanigheid van A als deelnemer aan gesprek en waaruit zou kunnen volgen dat besprokene ook heeft gediend tot begaan van stafbare feiten. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden, nu niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt (vgl. HR:2020:1889). Gelet hierop had hof het verweer, v.zv. dat inhoudt dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging, slechts kunnen verwerpen, omdat het aan dat verweer ten grondslag gelegde niet kan leiden tot oordeel dat aan die maatstaf is voldaan. Ook v.zv. verweer inhoudt dat het als bewijsmiddel opgenomen p-v houdende weergave van het op cd-rom opgenomen gesprek moet worden uitgesloten van bewijs, heeft verdachte onvoldoende belang bij vernietiging van ‘s hofs uitspraak, nu bewezenverklaring (indien dat b.m. wordt weggedacht) z.m. toereikend is gemotiveerd. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken