HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1027
Beklag, beslag ex art. 94 Sv. Beklag tegen beslag op stukken dat “voorwerp van het strafbare feit uitmaakt” of “tot het begaan daarvan heeft gediend”. De vraag of een in beslag te nemen of in beslag genomen stuk “voorwerp van het strafbare feit uitmaakt” of “tot het begaan daarvan heeft gediend” laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het in beslag te nemen of in beslag genomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon jegens wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten. (Vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8.) Gezien de aard van het verschoningsrecht zal de beklagrechter bij de beoordeling daarvan de nodige behoedzaamheid in acht moeten nemen. In ieder geval moeten de door de hem vastgestelde f&o zijn oordeel dat het in beslag genomen stuk “voorwerp van het strafbare feit uitmaakt” of “tot het begaan daarvan heeft gediend”, kunnen dragen. Het oordeel van de Rb is ontoereikend gemotiveerd. De Rb heeft niets vastgesteld omtrent de aard van de (grote hoeveelheid) inbeslaggenomen stukken ten aanzien waarvan een beroep op het verschoningsrecht is gedaan. Samenhang met 15/02123 Bv, 15/02125 Bv, 15/4558 Bv en 15/04858 Bv. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl