HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:837
Beleggingsfraude in concernverband. Gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). 1. Is HR, gelet op beperking van cassatieberoep door verdachte t.a.v. ’s hofs beslissing over vorderingen van benadeelde partijen, bevoegd te oordelen over middel van b.p.? 2. Bewijsklacht gewoontewitwassen en middel b.p. over niet-ontvankelijkverklaring vordering. Ad 1. HR in voorafgaande beschouwingen: O.g.v. art. 429 Sv kan door verdachte onderscheidenlijk OM cassatieberoep tegen een gedeelte van een in h.b. gewezen uitspraak worden ingesteld. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:CA1610 m.b.t. welke beperkingen van cassatieberoep kunnen worden aanvaard en ECLI:NL:HR:2003:AF4207 en ECLI:NL:HR:2012:BX:0146 m.b.t. cassatieberoep van b.p. Het is in beginsel toelaatbaar dat verdachte of OM cassatieberoep in die zin beperkt - d.m.v. daarop bij akte aangebrachte beperking of gedeeltelijke intrekking van cassatieberoep - dat het zich niet richt tegen ‘s hofs beslissing over vordering van b.p. Zo’n beperking van cassatieberoep door verdachte of OM doet echter niet af aan bevoegdheid van b.p. om o.g.v. art. 437.3 Sv schriftuur inzake rechtspunt over haar vordering te doen indienen en bevoegdheid van HR om die schriftuur te beoordelen. De tekst van art. 437.3 Sv houdt immers niet in dat bevoegdheid van b.p. om schriftuur te doen indienen afhankelijk is van omvang van door verdachte of OM ingesteld cassatieberoep. HR is uitsluitend dan niet bevoegd tot beoordeling van namens de b.p. ingediende schriftuur wanneer noch verdachte noch OM cassatieberoep heeft ingesteld, of wanneer verdachte onderscheidenlijk OM in ingesteld cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Een andere uitleg zou ook tot gevolg hebben dat door verdachte of OM aangebrachte beperking van cassatieberoep tot gevolg kan hebben dat afbreuk wordt gedaan aan bevoegdheid van b.p. om oordeel van HR te verkrijgen over rechtspunt dat haar vordering betreft. Dit betekent dat in het geval dat (i) verdachte onderscheidenlijk OM ontvankelijk is in ingesteld cassatieberoep en (ii) b.p. schriftuur heeft doen indienen inzake rechtspunt over haar vordering, HR bevoegd is tot beoordeling van die namens b.p. ingediende schriftuur, ook indien verdachte of OM cassatieberoep in die zin heeft beperkt dat het zich niet richt tegen ’s hofs beslissing over vordering van b.p. Het voorgaande geldt dus ook wanneer i.g.v. samengestelde tll. cassatieberoep door verdachte of OM is beperkt tot beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van tll. waarin zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven, waardoor cassatieberoep van verdachte geen betrekking heeft op beslissing t.z.v. vordering van b.p. namens wie schriftuur is ingediend. Ook in die gevallen is HR bevoegd tot beoordeling van die namens b.p. ingediende schriftuur. Ad 2. HR: art. 81.1 RO. CAG: anders t.a.v. bevoegdheid HR om te oordelen over middel van b.p. Samenhang met 18/03142, 18/03162 en 18/05239.
De uitspraak op rechtspraak.nl