HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:840

Beleggingsfraude in concernverband. Feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon begane verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr), feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon begaan gewoontewitwassen, meermalen gepleegd (art. 420ter Sr) en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225 Sr). 1. Kan uit b.m. worden opgemaakt dat verdachte een leningsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt? 2. HR ambtshalve: Ambtshalve ingrijpen bij partiële verjaring na ECLI:NL:HR:2018:2022? Ad 1. Bewezenverklaring houdt in dat verdachte een leningsovereenkomst, die is gesloten tussen B.V. en verdachte, valselijk heeft opgemaakt omdat er in werkelijkheid geen lening is verstrekt. Dit onderdeel van de bewezenverklaring kan - mede in het licht van wat namens verdachte is aangevoerd - echter niet z.m. worden afgeleid uit de gebruikte bewijsvoering. ’s Hofs uitspraak is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2022 m.b.t. ambtshalve toetsing van verjaring in cassatie. Hof heeft, gelet op de aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie, onder 1 meer subs. tlgd. kennelijk opgevat als tll. waarin impliciet cumulatief, en dus gevoegd, meerdere feiten zijn opgenomen. Die uitleg is met de bewoordingen van tll. niet onverenigbaar, zodat deze in cassatie moet worden geëerbiedigd. De in deze tll. opgenomen feiten zijn bij art. 321 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren is gesteld. De feiten zijn volgens tll. begaan in periode van 1 januari 2005 t/m 21 november 2010. O.g.v. art. 70.1.2 jo. art. 72.2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Hof heeft geoordeeld dat het recht tot strafvervolging is verjaard voor de periode van 1 januari 2005 t/m 19 augustus 2006. De cassatieschriftuur die op 22 juli 2019 namens verdachte is ingediend, bevat geen klacht m.b.t. verjaring in de periode nadat hof bestreden uitspraak heeft gewezen. HR volstaat daarom met het oordeel dat wat betreft onder 1 meer subs. tlgd. het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen wat betreft periode van 22 juli 2007 t/m 12 mei 2008. Deze verjaring brengt mee dat ’s hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/03142, 18/03162 en 19/00902.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken