HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838
Beleggingsfraude in concernverband. Feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon begane verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr) en feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon begaan gewoontewitwassen, meermalen gepleegd (art. 420ter Sr). 1. Middelen over (i) bewijs feitelijk leidinggeven, (ii) kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen t.a.v. uit eigen misdrijf verkregen goederen en (iii) middel b.p. over oordeel dat vordering b.p. een onevenredige belasting voor het strafgeding vormt. 2. HR ambtshalve: Ambtshalve ingrijpen bij partiële verjaring na ECLI:NL:HR:2018:2022? Ad 1. HR: art. 81.1 RO. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2022 m.b.t. ambtshalve toetsing van de verjaring in cassatie. Hof heeft, gelet op aan bewezenverklaring gegeven kwalificatie, onder 1 meer subs. tlgd. kennelijk opgevat als tll. waarin impliciet cumulatief, en dus gevoegd, meerdere feiten zijn opgenomen. Die uitleg is met de bewoordingen van tll. niet onverenigbaar, zodat deze in cassatie moet worden geëerbiedigd. De in deze tll. opgenomen feiten zijn bij art. 321 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren is gesteld. De feiten zijn volgens tll. begaan in periode van 1 januari 2005 t/m 21 november 2010. O.g.v. art. 70.1.2 jo. art. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Hof heeft geoordeeld dat recht tot strafvervolging is verjaard voor de periode van 1 januari 2005 t/m 19 augustus 2006. Cassatieschriftuur die op 22 juli 2019 namens verdachte is ingediend, bevat geen klacht m.b.t. verjaring in periode nadat hof de bestreden uitspraak heeft gewezen. HR volstaat daarom met oordeel dat wat betreft onder 1 meer subs. tlgd. het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen wat betreft periode van 22 juli 2007 t/m 12 mei 2008. Gelet op bewijsvoering heeft bewezenverklaarde in de kern betrekking op feitelijk leidinggeven aan gedragingen van rechtspersoon in de jaren 2009 en 2010. Daarom heeft partiële verjaring geen invloed op kwalificatie en bestaat ook geen aanleiding voor vermindering van opgelegde straf, zodat verdachte onvoldoende belang heeft bij ambtshalve vernietiging van bestreden uitspraak. Volgt verwerping. Samenhang met 18/03162, 18/05239 en 19/00902
De uitspraak op rechtspraak.nl