HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr) en oplichting (art. 326.1 Sr). Aanhoudingsverzoek verdachte en gemachtigde raadsvrouw voorafgaand aan tz. (door raadsvrouw ttz. herhaald) op grond van medische situatie verdachte t.g.v. mishandeling, door hof afgewezen met overweging dat medische argumentatie onvoldoende is onderbouwd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1934 en ECLI:NL:HR:2020:1172, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte of gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht), dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging en m.b.t. toetsingskader i.g.v. aanhoudingsverzoek wegens ziekte van verdachte. Hof heeft verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz., v.zv. daaraan ten grondslag is gelegd dat verdachte wegens ziekte is verhinderd ttz. aanwezig te zijn, afgewezen op enkele grond dat verzoek onvoldoende is onderbouwd. Hof heeft echter niet geoordeeld dat die aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Hof heeft ook niet blijk gegeven van afweging van belangen als hiervoor vermeld. Nu hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl