Hof Den Haag 12 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3575
Artt. 4 (oud), 8c, 83, 86b en 140a Sr. Art. 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen. Artt. 2, 4 en 6 van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht. De conclusie is dat rechtsmacht bestaat voor het terroristische misdrijf van artikel 140a Sr voorzover het valt binnen de reikwijdte van artikel 2 van het Verdrag, en het door een vreemdeling in het buitenland is gepleegd welke vreemdeling zich hier in Nederland bevindt. In de onderhavige zaak beperkt de rechtsmacht voor de tenlastelegging zich tot de aanhef van de tenlastelegging en het onderdeel onder A tot en met E. Er bestaat geen rechtsmacht voor onderdeel F van de tenlastelegging. Het Openbaar Ministerie zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte. Het hof komt tot de slotsom dat de verdachte weliswaar heeft deelgenomen aan activiteiten van Liwa al-Tawhid, maar dat deze organisatie in de periode dat de verdachte in Syrië verbleef niet kan worden aangemerkt als een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Het voorgaande betekent dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof spreekt de verdachte vrij van het hem ten laste gelegde.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6 Sr
- Artikel 8c Sr
- Artikel 83 Sr
- Artikel 86b Sr
- Artikel 140a Sr
- Artikel 157 Sr
- Artikel 168 Sr
- Artikel 176a Sr
- Artikel 288a Sr
- Artikel 26 WWM
- Artikel 2 Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht
- Artikel 4 Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht
- Artikel 7 EVRM
- Artikel 2 Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen