HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:796
Medeplegen doodslag door geweldsuitoefening op hals en slachtoffer (broer van ex-partner van medeverdachte) in de Weespertrekvaart te laten glijden, waarbij precieze rolverdeling verdachte en medeverdachte niet is komen vast te staan, art. 287 Sr. Motivering opzet en medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. afbakening medeplegen en medeplichtigheid en uit ECLI:NL:HR:1997:ZD0733 m.b.t. uitblijven verklaring verdachte voor omstandigheid die voor bewijs redengevend kan worden geacht. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte en mededader A rond 18.30 uur met het latere slachtoffer B zijn gaan rijden, dat B op dat moment nog niets mankeerde, dat zij urenlang hebben rondgereden, dat B om ongeveer 23.00 uur in het water is geraakt en uiterlijk enkele minuten daarna is overleden, dat toen sprake was van letsel bij B als gevolg van drie forse geweldsinwerkingen op drie verschillende plaatsen op zijn lichaam, dat B maximaal een uur na het toebrengen van het halsletsel is overleden en dat hetzij dit halsletsel, hetzij verdrinking, of een combinatie van beide heeft geleid tot de dood van B. Uit de vastgestelde gang van zaken heeft Hof afgeleid dat verdachte en A steeds samen zijn gebleven, dat zij aanwezig waren op de plaats waar en het moment waarop het letsel aan B is toegebracht en daarvan wetenschap hebben gehad, dat zij nadat het letsel is toegebracht verder zijn gereden en B of zijn dode lichaam naar de Weespertrekvaart hebben gebracht, dat A B of zijn dode lichaam - terwijl B zich (half) in het water bevond - heeft losgelaten in het bijzijn van verdachte, en dat verdachte en A daar vervolgens B in het water hebben achtergelaten en zijn weggereden. Hof heeft in aanmerking genomen dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor betrokkenheid van derden en geoordeeld dat verdachte m.b.t. deze voor het bewijs redengevende en voor verdachte in hoge mate belastende omstandigheden niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven waaruit een andere toedracht naar voren komt. ’s Hofs oordelen dat verdachte opzet had op de dood van B en dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en A, geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. Onjuist noch onbegrijpelijk is dat Hof in aanmerking heeft genomen dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid voor het bewijs van de vastgestelde omstandigheden kon ontzenuwen. Samenhang met 16/06309.
De uitspraak op rechtspraak.nl