HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:843

Niet voldoen aan op moeder rustende plicht er voor te zorgen dat haar beide jongste kinderen staan ingeschreven op een school en dat haar beide oudste kinderen hun school geregeld bezoeken, overtreding art. 2.1 Leerplichtwet 1969. Beroep op vrijstelling ex art. 5.b Lpw o.g.v. traditionele katholieke geloofsovertuiging onder verwijzing naar voorafgaand aan tz. in h.b. ingestuurd verweerschrift. Voor aannemen van overwegende bedenkingen in de zin van art. 5.b Lpw moet o.m. sprake zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs aan kinderen zoals een school dat kan bieden (vgl. HR:2019:1925O). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachtes bezwaren tegen het onderwijs op binnen een redelijke afstand gelegen scholen niet aannemelijk zijn geworden, in welk verband het met name niet aannemelijk gemaakt achtte “wat nu voor verdachte exact het verschil is” tussen deze ‘CONOD-scholen’ en scholen waarop kinderen eerder stonden ingeschreven. Ttz. is door verdachten o.m. aangevoerd dat “deze scholen anders [staan] dan wij in het traditionele katholieke geloof”, dat bezwaren “tegen de christelijke richting van het CONOD geldig zijn, gezien de verschillen tussen de statutaire grondslagen van de Protestants-Christelijke basisschool en het CONOD” en dat Ktr, “ons scholing met ‘de Bijbel’ en daarmee op Christus georiënteerd impliciet [heeft ontzegd]”, waarbij verdachten hebben verwezen naar een tevoren ingediend ‘verweerschrift’ waarin hun standpunten uitvoeriger zijn weergegeven en waarvan zij de hoofdzaken ttz. hebben uiteengezet. Tegen die achtergrond is ’s hofs oordeel dat verdachten hun bezwaren onvoldoende hebben onderbouwd om daarover te kunnen oordelen, niet z.m. begrijpelijk. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/03984.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken