HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6319
Beslag. Art. 36b.1.4 Sr. In art. 36b.1.4Sr is de mogelijkheid geopend om voorwerpen op vordering van het OM bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken. Die mogelijkheid is geschapen voor de gevallen waarin geen einduitspraak wordt gedaan of waarin de vervolging door een rechterlijke uitspraak tot een eind is gekomen. Gelet daarop is, zowel indien de OvJ tot vervolging is overgegaan als indien hij nog niet tot vervolging is overgegaan, doch ervan uitgaat hiertoe te zullen overgaan, deze n-o in een vordering a.b.i. art. 552f.2 Sv (vgl. HR LJN AC1898). De Rb is, gelet op hetgeen de OvJ tz. heeft verklaard, kennelijk ervan uitgegaan dat verdachte nog zou worden vervolgd ter zake van overtreding van art. 225 Sr (sociale zekerheidsfraude). Volgens de Rb zou het hier voorwerpen betreffen die tot het begaan van dat feit zijn vervaardigd of bestemd. De Rb heeft geoordeeld dat aan de onderhavige vordering niet in de weg staat dat genoemde vervolging nog niet was ingesteld. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl