HR 11 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC1898

Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van onder betrokkene in beslag genomen shirts met valse merken na klaagschriftprocedure ex art. 552a Sv, waarin klaagschrift betrokkene ongegrond is verklaard, maar zonder dat door OM aangekondigde vervolging is begonnen. Staat mogelijkheid om ex art. 36b.1.4 Sr onttrekking aan het verkeer te vorderen voor OM open, nu OM ervan uitgaat tot vervolging over te zullen gaan? HR ambtshalve: Onttrekking aan het verkeer is ingrijpende maatregel die, v.zv. mogelijk, behoort te worden gegeven tegelijk met einduitspraak in zaak waarin voorwerpen ten aanzien waarvan rechter deze maatregel wil nemen, inbeslaggenomen zijn, tegen welke einduitspraak over het algemeen h.b. of verzet openstaat, zodat verdachte mogelijkheid heeft dat zijn zaak andermaal ten volle wordt beoordeeld. Onttrekking aan het verkeer is in de eerste plaats voorzien voor die gevallen waarin na afloop van het gehele onderzoek op tz. over zaak een einduitspraak wordt gedaan. Weliswaar heeft wet daarnaast, in art. 36b.1.4 Sr, aan rechter de mogelijkheid geopend om voorwerpen op vordering van OM bij afzonderlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken. Maar die gelegenheid om ook dan die maatregel toe te passen is geschapen voor gevallen waarin helemaal geen uitspraak wordt gedaan, bijvoorbeeld wanneer dader onbekend of om andere reden niet te berechten is. Daarmede heeft wetgever beoogd voorziening te geven voor die situaties waarin niet einduitspraak zal worden gedaan in de hiervoor bedoelde zin, hetgeen zich ook kan voordoen wanneer wordt afgezien van vervolging dan wel vervolging niet meer mogelijk is. Wet van 31-3-1983 (inwerkingtreding van art. 36b Sr) heeft in dit opzicht geen wijziging gebracht. Wel heeft deze wet in art. 552f.1 Sv nader geregeld welk gerecht bevoegd is tot geven van hiervoor vermelde afzonderlijke beschikking. Deze regeling moet verstaan worden in overeenstemming met hetgeen hiervoor is uiteengezet, terwijl wetgever blijkens MvT op art. 36a-36f bij totstandkoming van laatstgenoemde wet tevens mogelijkheid heeft willen openhouden om voorwerpen aan het verkeer te onttrekken bij afzonderlijke vordering ‘in gevallen waarin vervolging door rechterlijke uitspraak tot eind is gekomen’. Aldus is bevoegd tot geven van hierbedoelde afzonderlijke beschikking het gerecht waarvoor zaak in e.a. zal worden vervolgd, dat wil zeggen wanneer vervolging van zaak die zou worden vervolgd niet meer plaatsvindt, voorts is vervolgd of had kunnen worden vervolgd. Uit p-v van behandeling in raadkamer van klaagschrift ex art. 552a Sv rijst gewichtig vermoeden dat OvJ tegen betrokkene een strafvervolging zal instellen, althans daartoe ernstig voornemen had. Hierin had Rb aanleiding behoren te vinden ervan te doen blijken te hebben onderzocht of deze zaak a. zou worden vervolgd, dan wel b. niet (meer) wordt vervolgd. Immers, indien onder a bedoelde omstandigheid zich zou hebben voorgedaan, zou Rb de OvJ in zijn vordering n-o hebben behoren te verklaren, aangezien OM, indien het ervan uitgaat dat het tot vervolging zal overgaan, m.b.t. inbeslaggenomen voorwerpen niet bij vordering overeenkomstig art. 36b.1.4 Sr een maatregel van zo ver strekkende aard als onttrekking aan het verkeer kan vorderen. Hieromtrent houdt bestreden beschikking echter niets in. Mitsdien is beschikking niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen