HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315

Afstand van rechtsbijstand. O.g.v. art. 6.3.c EVRM en art. 28.1 Sv is de verdachte bevoegd zich te laten bijstaan door een raadsman. In een aantal gevallen is toevoeging van een raadsman verplicht maar of een verdachte zichzelf ttz. wil verdedigen is zijn vrije keuze. Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel doorbroken en is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand (bijv. art. 503.1 Sv en art. 509a jo 509.3 Sv) waarmee is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt i.h.b. indien een verdachte t.a.v. wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt m.n. waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien. Gelet op de juridische merites van de zaak i.c. en hetgeen er voor verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ttz. een wezenlijk belang was gemoeid. Het Hof heeft dat belang klaarblijkelijk onderkend en verdachte meermalen in de gelegenheid gesteld om zich alsnog met de ttz. aanwezige toegevoegde raadsman te verstaan, maar het Hof had eerst en vooral onder ogen te zien of sprake was van een desbewuste afstand van het recht op rechtsbijstand. Het Hof was i.c. gehouden een indringende toets aan te leggen en verdachte in overweging te geven al dan niet in overleg met de aanwezige raadsman en zo nodig na onderbreking of schorsing van de behandeling, zich te beraden omtrent de gevolgen van de door hem ingenomen proceshouding, opdat hij zijn standpunt op enig moment zou kunnen herzien. Het Hof heeft echter geen overweging gewijd aan de door verdachte gedane "afstand" van rechtsbijstand en uit het pv. ttz. volgt dat het Hof de keuze van verdachte zonder meer heeft aanvaard en het aan hem heeft gelaten of hij zich in de loop van het proces met de aanwezige raadsman wilde verstaan. Niet blijkt dat het Hof de motieven van verdachte voor die keuze heeft onderzocht, ofschoon uit de door verdachte opgegeven reden aanwijzingen vallen te putten dat hij de draagwijdte van die keuze niet ten volle overzag. Voorts blijkt niet dat het Hof op enig moment verdachte het belang van rechtsbijstand en de consequenties van de door hem ingenomen proceshouding heeft voorgehouden. I.c. is daarom sprake van een motiveringsgebrek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen