HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698

Antilliaanse uitleveringszaak. Bij Nederlands uitleveringsrecht aansluitende uitleg van het Nl-A Uitleveringsbesluit (NAUB). 1. Onschuldbewering en getuigenverzoek in dat kader. 2. Hervatting onderzoek in andere samenstelling en art. 322 Sv. Ad 1. In het NAUB is de zgn. onschuldbewering en de mogelijkheid van het in dat kader oproepen van getuigen – anders dan in art. 26.3 en 26.4 UW – niet uitdrukkelijk geregeld. De rijkswetgever heeft zoveel mogelijk bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en m.n. ook bij de jurisprudentie van de HR willen aansluiten (HR LJN AS8860). Onder de vigeur van het NAUB is a) het hof gehouden tot het instellen van een onderzoek naar de juistheid van de onschuldbewering, doch b) die onschuldbewering zal alleen opgaan indien het hof onverwijld – dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf – tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld van de o.p. aan de feiten ter zake waarvan zijn uitlevering is verzocht (HR NJ 1990, 63). ’s Hofs oordeel dat de inwilliging van het aanhoudingsverzoek met het oog op het horen van de namens de o.p. opgegeven getuigen zou leiden tot overschrijding van deze grens, is onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. In het NAUB is noch de schorsing van het onderzoek ter zitting noch de wijze waarop het onderzoek na schorsing moet worden hervat, geregeld. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat in art. 29.1 UW art. 322 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard, is art. 322 Sv ook i.c. van belang. Het hof, dat t.t.v. het onderzoek ter zitting van 1-3-05 anders was samengesteld dan t.t.v. het onderzoek ter zitting van 25-1-05, had, tenzij de P-G en de o.p. zouden hebben ingestemd met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich t.t.v. de schorsing op 25-1-05 bevond, behoren te bevelen dat het onderzoek op de zitting opnieuw werd aangevangen. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden, in aanmerking genomen dat ook indien de o.p. of de P-G bedoelde instemming niet zou hebben verleend, de enige op die zitting genomen beslissingen waarop de bestreden einduitspraak voortbouwt, gelet op art. 322.4 Sv in stand zouden zijn gebleven, nog daargelaten dat ter zitting van 1-3-05, waar opnieuw is verwezen naar de verklaringen die de getuigen buiten rechte hebben afgelegd, opnieuw had kunnen worden verzocht om bepaalde getuigen te horen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen