HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993

Denaturering verklaring verdachte ter terechtzitting in appèl. Discrepantie weergave in pv en in uitspraak. HR gaat om. Pv als kenbron (net als van verweren). 1. Bij verschil tussen de verklaring van (i.c.) verdachte in het pv van de terechtzitting en in de uitspraak, rijst de vraag welke prevaleert. Indien de weergave in de uitspraak zonder meer beslissend zou zijn, is voor een beroep op denaturering van die verklaring in de uitspraak geen plaats. Zo’n beroep kan wel worden gedaan t.a.v. een verklaring in een pv van politie of RC. Het pv van de terechtzitting is in beginsel de enige kenbron voor de aldaar in acht genomen vormen en is bijv. ook bepalend voor de vraag of en zo ja welke verweren zijn gevoerd. Houdt bij het ontbreken van een pleitnota een pv niet in dat een bepaald verweer is gevoerd, dan kan in cassatie niet worden geklaagd over het ontbreken in de uitspraak van een beslissing op het gestelde verweer. Verder is voor de inhoud van het verweer beslissend hetgeen het pv van de terechtzitting dienaangaande vermeldt. Anders dan t.a.v. verweren is in jurisprudentie van de HR wel beslist dat v.w.b. de inhoud van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van verdachte, getuigen en deskundigen niet beslissend is het pv van die terechtzitting, doch hetgeen de rechter in diens uitspraak omtrent inhoud en strekking van die verklaringen vaststelt. De HR ziet aanleiding om thans anders te oordelen in aanmerking genomen dat bedoelde benadering leidt tot a. een verschil in behandeling van de verklaring die o.a. verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd en die welke hij elders heeft afgelegd; b. evengenoemd verschil tussen verweren en verklaringen. Voor die verschillen bestaat onvoldoende grond, gelet op de belangrijke functie die het pv van de terechtzitting heeft v.w.b. de weergave van hetgeen aldaar is voorgevallen of aangevoerd. 2. Het is voorbehouden aan de feitenrechter om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Daarbij mag de rechter datgene terzijde stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. I.c. heeft het hof verdachtes ter terechtzitting afgelegde verklaring voor het bewijs kunnen bezigen, met weglating van de in het middel genoemde passage zonder daaraan een andere strekking te geven.

De uitspraak op rechtspraak.nl