Hof 's-Hertogenbosch 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4067
Het hof veroordeelt de verdachte ten aanzien van mensensmokkel door het verkopen van asielverhalen aan vreemdelingen die zij gebruikten bij de asielaanvraag bij de IND. De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte nu het niet aan de strafrechter is om te oordelen over de betrouwbaarheid van de asielverhalen van de vreemdelingen. Wanneer dit wel gebeurt gaat de strafrechter immers op de stoel van de vreemdelingenrechter zitten, aldus de raadsman. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman nu het non-punishment-beginsel slechts ziet op bescherming van strafbare handelingen van de vluchteling zelf en niet op de strafbare handelingen van de faciliteerder van mensensmokkel. Het hof dient in onderhavige zaak op basis van de tenlastelegging te oordelen of de handelingen van de verdachte bewezen kunnen worden verklaard. Hierbij oordeelt het hof niet over het gedrag en/of verhaal van de vreemdeling, maar over het grensoverschrijdende karakter van de activiteiten zoals die aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Het vaststellen of een vluchtverhaal geheel of gedeeltelijk onjuist is, is een feitelijke vaststelling die het hof gebruikt voor de beoordeling van de aan de verdachte tenlastegelegde handelingen. Of en in hoeverre dat gevolgen kan of zal hebben voor de positie van de vreemdeling is niet aan het hof om te beoordelen. Uit het dossier is gebleken dat de vreemdelingen op een toeristenvisum, een ander reisvisum of zonder visum Nederland hebben betreden. Voor degenen die geen visum hebben aangevraagd geldt dat zij ten tijde van het overschrijden van de binnengrenzen wederrechtelijk in Nederland verbleven. Ten aanzien van de vreemdelingen met een visum geldt in beginsel dat zij legaal in Nederland verbleven en er dus geen sprake is van wederrechtelijk verblijf. Indien echter blijkt dat de vreemdeling voorafgaande aan de aanvraag van het visum al van plan was om asiel in Nederland aan te vragen en na het verlopen van het visum niet meer terugkeert naar het land van herkomst, maakt dit dat de inreis in en de doorreis door Nederland als wederrechtelijk moeten worden aangemerkt. Uit het dossier leidt het hof af dat de verdachte eigenaar was van het rechtskundig adviesbureau gevestigd te Eindhoven. De verdachte is adviseur in het immigratierecht. Tevens volgt uit het onderzoek dat de verdachte meerdere contracten heeft afgesloten met de in de tenlastelegging genoemde vreemdelingen waarbij de vreemdelingen bedragen tussen de € 2.000,- en € 7.000,- moesten betalen. Uit de contracten volgt dat de verdachte hulp en begeleiding biedt bij de ordening van de hoofdlijn van de asielaanvraag, alsmede hulp bij ordening van de chronologie en de reden van het asielverzoek. Daarbij heeft de verdachte in vele gevallen de garantie gegeven dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel zouden verkrijgen. Het hof stelt op grond van het dossier vast dat het bedrijfsmodel van de verdachte was ingericht op het tegen betaling van een bepaald bedrag (veelal duizenden euro’s) per zogenoemde ‘case’, geven van een garantie dat de vreemdeling de gevraagde verblijfsvergunning asiel zou verkrijgen. De verdachte leverde deze garantie veelal op voorhand zonder daarbij op de hoogte te zijn van het feitelijke asielverhaal van de vreemdeling. Het is naar het oordeel van het hof onmogelijk om dit te bereiken zonder dat daarbij de waarheid in voorkomend geval geweld wordt aangedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Noord-Nederland 31 juli 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:3218
- Rb. Den Haag 20 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14919
- Rb. Oost-Brabant 13 juli 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:3737
- Rb. Overijssel 21 januari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:176
- HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:605
- HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:717
- Rb. Noord-Holland 21 juni 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:10409
- Hof 's-Hertogenbosch 30 juli 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AE5920