Rb. Den Haag 28 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10068
Tussenuitspraak. Intrekking asielvergunning gezin (Iran) wegens verstrekken onjuiste gegevens (art 32 lid 1 onder a Vw). Eiseressen zouden een relaas (bekering) hebben verteld dat hen (geheel of gedeeltelijk) door een juridisch adviseur was verstrekt. De juridisch adviseur is voor zijn activiteiten strafrechtelijk veroordeeld. Eiseressen hebben toegeven dat een deel van hun relaas (de inval) is verzonnen, maar de bekering niet. De rechtbank is van oordeel dat uit de verhoren van eiseressen en de tapverslagen voldoende blijkt dat zij ook over de bekering ingestudeerde en niet-authentieke verklaringen hebben afgelegd en daarmee onjuiste gegevens hebben verstrekt. Anders dan eiseressen stellen hoeft de staatssecretaris daarom geen nader onderzoek te doen naar de door hen afgelegde verklaringen waarvan uit het strafdossier niet blijkt dat die afkomstig zijn van de juridisch adviseur. Niet is immers meer na te gaan wat wel en niet van de juridisch adviseur afkomstig is, wat voor rekening en risico van eiseressen komt, terwijl er tegelijkertijd wel is gebleken dat eiseressen informatie hebben gekregen op onderdelen waarover zij zijn bevraagd. Ten aanzien van de beoordeling van de huidige situatie oordeelt de rechtbank dat verweerder de gehoren van eiseressen niet op de juiste wijze heeft afgenomen door hen niet over de 3 elementen uit WI 2022/3 te bevragen en/of daarover door te vragen. De besluiten zijn onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4067
- ABRvS 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:230
- ABRvS 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713
- ABRvS 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977
- ABRvS 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:978
- Rb. Oost-Brabant 14 juli 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:3502
- ABRvS 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550
- ABRvS 20 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:3504
- ABRvS 4 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC3329
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:403