Hof 's-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471

Dividendbelasting. Verwijzing naar het Hof van Justitie (het HvJ) voor het stellen van een prejudiciële vraag. Een in het VK gevestigde (beleggings)vennootschap ontvangt dividenden op aandelen in Nederlandse (beurs)vennootschappen. Tegenover beleggingsresultaten die deze vennootschap behaalt, staan verplichtingen uit contracten met cliënten van die vennootschap. Als de vennootschap positieve beleggingsresultaten behaalt, nemen haar verplichtingen tegenover cliënten met ongeveer hetzelfde bedrag toe. Het hof is van oordeel dat belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is. Bovendien is belanghebbende niet vergelijkbaar met een in Nederland subjectief vrijgesteld pensioenlichaam dat recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. Het hof ziet zich vervolgens geconfronteerd met de vraag hoe moet worden beoordeeld welke kosten, als rechtstreeks verband houdend met dividenden, in aanmerking moeten worden genomen bij de vergelijking van een niet-ingezeten belastingplichtige met een ingezeten belastingplichtige. Gelet op de rechtspraak van het HvJ (en met name gelet op Société Générale en College Pension Plan of British Columbia) kan niet eenduidig worden bepaald aan de hand van welke rechtskundige maatstaf die vraag moet worden beantwoord. Het hof stelt daarom, na een bespreking van de bestaande Europeesrechtelijke jurisprudentie, de volgende vraag: Verzet artikel 63, lid 1, VWEU zich tegen een wettelijke regeling als de onderhavige, volgens welke dividenduitkeringen door in Nederland gevestigde (beurs)vennootschappen aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, die ter dekking van toekomstige betalingsverplichtingen onder andere in aandelen in die (beurs)vennootschappen heeft belegd, zijn onderworpen aan een bronbelasting naar een tarief van 15% over het brutobedrag van die dividenduitkeringen, terwijl de belastingdruk op dividenduitkeringen aan een in Nederland gevestigde vennootschap in overigens gelijke omstandigheden nihil zou bedragen, omdat bij de berekening van de belastinggrondslag voor de winstbelasting waaraan die laatstbedoelde vennootschap zou zijn onderworpen rekening wordt gehouden met de kosten die worden opgeroepen door een toename van de toekomstige betalingsverplichtingen van de vennootschap, welke toename vrijwel geheel correspondeert met een (positieve) wijziging in de waarde van de beleggingen, ook al leidt de ontvangst van dividend als zodanig niet tot een wijziging in de waarde van die verplichtingen?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken