Hof 's-Hertogenbosch 20 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1261

Belanghebbende is een naar Canadees recht ingestelde trust die volgens haar trustakte voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers. In 2015 is door (gemachtigde van) belanghebbende verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over 2014. Dit verzoek is gehonoreerd. De inspecteur heeft naar aanleiding van nader onderzoek een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (nageheven dividendbelasting: € 209.720, belastingrente: € 43.380). Het hof is van oordeel dat inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd omdat belanghebbende in onderhavige jaren een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming dreef, de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en hij ook niet voldeed aan de zogenoemde werkzaamhedentoets van artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Daarom zou belanghebbende niet zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd en bestaat er geen recht op teruggaaf op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB 1965. Het Unierecht staat niet aan naheffing in de weg. Ook is er een wettelijke grondslag voor naheffing, namelijk artikel 20, lid 2, AWR. Gelet op deze oordelen is het hof niet toegekomen aan de behandeling van de vragen of belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken