Rb. Noord-Holland 24 december 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14220
Eiseres beheert en belegt in commercieel vastgoed. Ter financiering heeft zij leningen aangetrokken bij haar buitenlandse aandeelhouders tegen een rente van 10%. Verweerder stelt dat de rente die is overeengekomen voor deze leningen onzakelijk hoog is. In verband met de bovenmatige rentebetalingen legt verweerder naheffingsaanslagen dividendbelasting en vergrijpboetes op. De rechtbank wijst het beroep van verweerder op omkering en verzwaring van de bewijslast af. De rechtbank oordeelt dat de aandeelhoudersleningen zakelijke leningen zijn maar dat verweerder terecht stelt dat de hoogte van de rente onzakelijk is. Verweerder staat een zakelijke rente voor van 2,59% maar de rechtbank komt tot het oordeel dat een rente van 4,25% zakelijk is. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het deel van de rentebetalingen dat de zakelijke rente te boven gaat kwalificeert als verkapte dividenduitkeringen. De rechtbank acht de dubbele bewustheidseis ook van toepassing in het kader van de heffing van dividendbelasting en komt tot het oordeel dat aan deze eis is voldaan. De rechtbank concludeert dat sprake is van verkapte dividenduitkeringen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat twee aandeelhouders niet als opbrengstgerechtigde kunnen worden aangemerkt omdat de leningen toegerekend moeten worden aan de achterliggende pensioendeelnemers en polishouders. De rechtbank gaat daar niet in mee. Eiseres maakt aanspraak op een toezegging opgenomen in het Verrekenprijsbesluit 2013 voor ‘scondary adjustments’. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van een verschil in belastingsystemen dat ertoe leidt dat voor de aandeelhouders in het buitenland geen verrekening van dividendbelasting mogelijk is. De rechtbank vernietigt de vergrijpboetes omdat verweerder tegenover de gemotiveerde betwisting van eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd van de aanwezigheid van opzet of grove schuld. Daarbij neemt de rechtbank in haar overweging mee dat transfer-pricing problematiek complex is en dat eiseres transfer-pricing documentatie heeft opgesteld en benchmarkanalyses heeft laten uitvoeren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
- Hof Amsterdam 7 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1920
- HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1336
- Hof 's-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471
- HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150
- Rb. Noord-Holland 26 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3890
- HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
- HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268
- HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:971
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975
- HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1463
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802
- HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411
- HR 4 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0851
- HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193
- HR 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4481
- HR 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458
- HR 28 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2688