Hof 's-Hertogenbosch 20 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1263
Belanghebbende is een naar Canadees recht ingestelde trust die volgens haar trustakte voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers. In 2014 en 2015 is door (gemachtigden van) belanghebbende verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over de jaren 2013 tot en met 2015. Deze verzoeken zijn gehonoreerd. De inspecteur heeft naar aanleiding van nader onderzoek naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd (nageheven dividendbelasting: € 1.817.563, belastingrente: € 361.817). Ook heeft de inspecteur voor dezelfde materiële belastingschulden beschikkingen gegeven aan de gemachtigden (hierna: de overige beschikkingen). Het hof is van oordeel dat inspecteur de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd omdat belanghebbende in onderhavige jaren een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming dreef, de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en hij ook niet voldeed aan de zogenoemde werkzaamhedentoets van artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Daarom zou belanghebbende niet zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd en bestaat er geen recht op teruggaaf op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB 1965. Het Unierecht staat niet aan naheffing in de weg. Ook is er een wettelijke grondslag voor naheffing, namelijk artikel 20, lid 2, AWR. Gelet op deze oordelen is het hof niet toegekomen aan de behandeling van de vragen of belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Hoewel belanghebbende zich richting de inspecteur presenteerde als pensioenfonds, dreef hij in feite een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming. Door de inspecteur hierover niet te informeren, heeft belanghebbende er niet voor gezorgd dat de inspecteur alle informatie heeft verkregen die nodig is om het verzoek op haar fiscale merites te kunnen beoordelen. Het hof is ten slotte van oordeel dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de overige beschikkingen ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Tot een gegrond hoger beroep kan dit echter niet leiden omdat niet valt in te zien welk belang belanghebbende heeft bij het corrigeren van het dictum in de uitspraken op bezwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675
- Hof 's-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471
- CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961
- HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670
- HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1608
- HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122
- Hof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:932