Hof 's-Hertogenbosch 4 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2120

Fiscale fraudezaak. Una via-beginsel, Protocol AAFD en opzet van de verdachte. Artikel 67c, eerste lid, en artikel 67b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 5:44 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 243 en artikel 255 Wetboek van Strafvordering. De BV van verdachte wordt uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. De aangiften worden niet gedaan. Er worden ambtshalve naheffingsaanslagen opgelegd met verzuimboetes. De verzuimboetes van respectievelijk € 50,00 en € 65,00 zijn opgelegd wegens niet (volledige) betaling op aangifte ex artikel 67c, eerste lid, van de AWR en het niet (tijdig) indienen van de aangifte ex artikel 67b, eerste lid, van de AWR. De opgelegde verzuimboete op grond van artikel 67b van de AWR betreft zonder enige twijfel hetzelfde feit als het feit waarvoor de verdachte wordt vervolgd op grond van artikel 69, eerste lid, van de AWR, namelijk: het opzettelijk niet (tijdig) doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte. Ook de verzuimboete wegens niet (volledige) betaling op aangifte ex artikel 67c, eerste lid, van de AWR betreft hetzelfde feit. Het niet voldoen van de (materieel wel verschuldigde) omzetbelasting en het niet indienen van de aangifte omzetbelasting staan zodanig met elkaar in verband dat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen van de verdachte en met betrekking tot de wezenlijke samenhang in handelen en schuld, er sprake is van hetzelfde feit (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 17 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:481). Nu naar het oordeel van het hof sprake is van hetzelfde feit en ter zake daarvan reeds bestuurlijke boetes ex artikel 67c van de AWR en ex artikel 67b van de AWR zijn opgelegd, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging (artikel 243 Wetboek van Strafvordering). Door een kennisgeving van niet verdere vervolging eindigt de zaak. De oplegging van de verzuimboetes staat in beginsel in de weg aan strafrechtelijke vervolging voor het niet doen van aangifte omzetbelasting ex artikel 69 van de AWR. Indien er evenwel nieuwe bezwaren bekend zijn geworden, kan derhalve, ondanks het feit dat reeds ter zake van hetzelfde feit een bestuurlijke boete is opgelegd, toch tot strafvervolging van datzelfde feit worden overgegaan. In het midden latend of daarvan al dan niet sprake was, stelt het hof vast dat de tot instelling van een opsporingsonderzoek vereiste machtiging door de rechter-commissaris ontbreekt. Aldus is de verdachte in strijd met het bepaalde in artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw voor hetzelfde feit in rechte betrokken. In zoverre volgt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken