CRvB 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2194

De Raad zal in navolging van zijn uitspraak na de conclusie van AG De Bock (18 april 2024, CRVB:2024:726) en rekening houdend met de bijzonderheden voor de PW, een ruimere invulling geven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW om geheel of gedeeltelijk van terugvordering te kunnen afzien. Bij een beslissing over deze bevoegdheid moet de bijstandverlenende instantie niet alleen rekening houden met onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de terugvordering, maar ook andere belangen en relevante feiten en omstandigheden in zijn afweging moet betrekken. Die beslissing zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten kunnen doorstaan. Herziening en terugvordering van bijstand. Geen hoofdverblijf op uitkeringsadres. Schending inlichtingenverplichting. Evenredigheidsbeginsel. Dringende reden. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Anders dan appellant ter zitting heeft gesteld, is in zijn geval de onderzoeks- en besluitvormingsperiode niet nodeloos lang geweest. Appellant heeft verder zijn stelling dat sprake is van ernstige financiële gevolgen van de terugvordering niet nader toegelicht en niet onderbouwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken