CRvB 31 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:727
Bij afzonderlijke besluiten ‘resultaat administratief onderzoek’ heeft het zorgkantoor de besteding van de pgb’s van appellanten (een tweeling) voorlopig afgekeurd. Zoals het zorgkantoor ter zitting van de Raad heeft erkend hebben de bij bestreden besluiten 1 en 2 gehandhaafde besluiten ‘resultaat administratief onderzoek’ geen wettelijke grondslag. Dit betekent dat deze besluiten niet genomen hadden mogen worden. Ten behoeve van de rechtsontwikkeling en duidelijkheid en met uitdrukkelijke instemming van partijen zal de Raad in dit specifieke geval het hoger beroep mede gericht achten tegen bestreden besluiten 3 en 4 en de beroepen tegen die besluiten beoordelen. Bij bestreden besluiten 3 en 4 heeft het zorgkantoor de pgb’s voor het jaar 2017 lager vastgesteld dan de bij de verlening bepaalde bedragen, onder meer op de grond dat zij niet hebben voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichting uit artikel 5.18, aanhef en onder d, van de Rlz. Volgens het zorgkantoor moet artikel 5.18, aanhef en onder d, van de Rlz aldus worden begrepen dat een zorgverlener niet meer dan veertig uur per week zorg mag verlenen, ongeacht of deze zorg aan één of meer budgethouders wordt verleend. Met appellanten volgt de Raad dit standpunt van het zorgkantoor niet. De besluiten 3 en 4 berusten niet op een deugdelijke grondslag. De Raad voorziet zelf door de besluiten te herroepen en de pgb’s voor het jaar 2017 vast te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl